Een brochure over reïncarnatietherapie:

Reïncarnatietherapie: een instrument om cliënten te helpen
zoeken naar hun onverwerkte verleden, dit te herkennen en te verwerken
om hun huidige problemen te overwinnen
Een uitgave van de Stichting Voorlichting Reïncarnatietherapie,
Auteur: Rob Bontenbal, Amsterdam
© Stichting Voorlichting Reïncarnatietherapie

Deze brochure geeft informatie over reïncarnatietherapie.
Het wil u als potentiële cliënt in de eerste plaats een indruk geven wat
u meemaakt wanneer u ertoe besluit in reïncarnatietherapie te gaan. Omdat
bij deze vorm van therapie het nemen van verantwoordelijkheid voor de
eigen problematiek zeer belangrijk is, wil dit boekje u daarnaast ook
voorlichten over de aannames en achtergronden van de therapievorm. Deze
toelichting is in de tekst inspringend en met een ander lettertype afgedrukt.
Op die manier kun je er voor kiezen om in eerste instantie alleen kennis
te nemen van het verloop van het therapeutisch proces. Daarna kun je je
dan verdiepen in de achtergronden van de therapie. Je kunt ook doorlezen
en je direct in de achtergronden verdiepen.
Het zal u, je inmiddels zijn opgevallen dat het formele
u in boven staande tekst plaats heeft gemaakt voor je. Reïncarnatietherapie
is een intiem proces waarbij het gebruik van u tijdens herbelevingen storend
werkt. Het schept afstand tussen cliënt en therapeut en tussen cliënt
en wat hij herbeleeft, daar waar juist verbinding aan de orde is. In de
tekst wordt verder consequent hij, hem en zijn gebruikt in plaats van
het meer correcte hij/zij, hem/haar en zijn/haar. Dit om de leesbaarheid
van de tekst te bevorderen.
De uitgever van deze brochure, de Stichting Voorlichting
Reïncarnatietherapie (SVR) is een zusterorganisatie van zowel de Nederlandse
Vereniging van Reïncarnatietherapeuten (NVRT) als de School voor Reïncarnatietherapie
Nederland (SRN). Het boekje wordt gebruikt door veel leden van de NVRT
en studenten van de SRN om zowel (toekomstige) cliënten als andere geïnteresseerden
voor te lichten over deze vorm van therapie.
Van dit boekje zijn sinds de eerste uitgave in 1985 meer
dan 20.000 exemplaren verkocht. Sinds de 9e en voorlaatste druk in 1995
heeft het vak zich in snel tempo verder ontwikkeld. Dat maakte het noodzakelijk
de tekst van 1995 geheel te herzien.
De brochure is in de versie van 1995 ook nog steeds in
het Engels verkrijgbaar: "Your past can sure get in your way!"
en eveneens bij de SVR te bestellen.
Rob Bontenbal, Amsterdam, maart 2002

In dit boekje word jij, de lezer, benaderd als een potentiële
cliënt. Je hebt een probleem waar je al langere tijd last van hebt en
je wilt daar graag vanaf. Je oriënteert je op een voor jou geschikte therapie.
Wellicht ben je één van de anderhalf miljoen Nederlanders
die er reeds van overtuigd is dat reïncarnatie de meest logische spirituele
verklaring is voor hoe mensen zich gedragen. Dan spreekt een therapievorm
waarin gewerkt wordt met onderstaande aannames je waarschijnlijk reeds
aan:
-
een mens heeft een ziel: onstoffelijke energie die
door leven en dood heen blijft bestaan;
de verbinding tussen ziel en lichaam zorgt voor het ontstaan
en de ontwikkeling van een nieuwe mens, een nieuwe persoonlijkheid:
-
de ziel van een mens draagt informatie in zich afkomstig
uit vele vorige levenservaringen.
Als je echter tot de veel grotere groep van Nederlanders
behoort die misschien wel eens iets gehoord of gelezen heeft over reïncarnatie
maar grote twijfels heeft of er wel zoiets bestaat als een ziel en dan
ook nog één die al meerdere levens doorgemaakt zou hebben, lijkt reïncarnatietherapie
veel minder een logische keus.
Toch is deze brochure voor beide groepen geschreven.
Het wil in de eerste plaats zowel 'gelovigen' als 'twijfelaars' en 'ongelovigen'
inzicht geven in wat reïncarnatietherapie, in het bijzonder holografische
reïncarnatietherapie, nu precies inhoudt. Het wil verder duidelijk maken
hoe ook mensen die twijfelen aan, of niet geloven in reïncarnatie als
verklaringsgrond voor menselijk gedrag, toch baat bij deze vorm van therapie
kunnen hebben.
Laten we ervan uitgaan dat je eventuele innerlijke twijfels
voorlopig overwint en er achter wilt komen of reïncarnatietherapie je
kan helpen bij het doorgronden en uiteindelijk oplossen van je klachten
en problemen. De beste manier om dat te doen is in contact te treden met
een reïncarnatietherapeut die is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging
van Reïncarnatietherapeuten (NVRT), de beroepsorganisatie van reïncarnatietherapeuten
in ons land. Een dergelijke therapeut is ongetwijfeld bereid al je vragen
te beantwoorden, maar dan bij voorkeur tijdens een gesprek. Na een korte
telefonische kennismaking, maak je een afspraak voor zo'n intakegesprek.
Het intakegesprek
Het intakegesprek is in meerdere opzichten belangrijk.
Je wilt graag kennismaken met de therapeut, een indruk van hem krijgen,
er achterkomen of je hem kunt vertrouwen. Daarnaast heb je waarschijnlijk
een groot aantal vragen: wat de therapie precies inhoudt, hoe lang een
sessie duurt, hoe lang de hele therapie duurt, wat de kosten zijn, of
het belangrijk is dat je het idee van reïncarnatie omarmt, of het gevaarlijk
is in trance te gaan, of je na een sessie wellicht met allerlei nare gevoelens
kan blijven zitten en tenslotte of de therapeut denkt dat jouw probleem
geschikt is om er met reïncarnatietherapie aan te werken.
De therapeut heeft ook vragen. Veel waarschijnlijk. Hij
wil jou en je probleem of klacht leren kennen en ook het vertrouwen krijgen
met jou en je probleem te kunnen werken. Op die vragen komen we zo terug.
Eerst wordt ingegaan op een aantal van jouw vragen. Wat uitgebreider en
met meer achtergrondinformatie dan vaak in zo'n eerste gesprek mogelijk
is.

Uitgangspunt
Het uitgangspunt van reïncarnatietherapie is eenvoudig:
problemen en klachten, of ze nu in de eerste plaats mentaal, emotioneel,
lichamelijk of spiritueel ervaren worden, vinden hun oorsprong in onverwerkte
ervaringen, trauma's genoemd. Die trauma's kunnen opgespoord en zodanig
herbeleefd worden dat de cliënt ze eindelijk kan verwerken. Hetgeen resulteert
in het verdwijnen of verminderen van de problemen en klachten.
Reïncarnatie
Het eerste deel van het woord reïncarnatietherapie,
reïncarnatie, geeft aan dat bij deze vorm van therapie het werkterrein
ruim gedefinieerd wordt. Reïncarnatie betekent letterlijk 'weer in het
vlees komen' of iets minder plastisch: 'herbelichaming'. Een andere veel
gebruikte term is 'wedergeboorte'. Dit laatste is echter een verwarrend
begrip omdat herbelichaming door de ziel reeds voor de fysieke geboorte
plaatsvindt, namelijk tijdens de conceptie. Met reïncarnatie wordt bedoeld
dat een wezenlijk deel van menszijn, ziel genoemd, het lichamelijk sterven
overleeft en na korte of langere tijd weer in een nieuw lichaam komt (het
incarneren). Tussen twee incarnaties door verblijft de ziel in een ervaringsgebied
dat in algemene zin als het tussenbestaan wordt aangeduid.
Uit de verbinding van de ziel en het tijdens de conceptie
geschapen lichaam ontwikkelt zich de persoonlijkheid. De incarnerende
ziel draagt vele ervaringen uit vorige levens in zich die die persoonlijkheid
beïnvloeden. Deze invloeden blijven bij veruit de meeste mensen lang onbewust,
ook als ze er problemen van ondervinden.
Vragen die vaak gesteld worden over reïncarnatie en
de rol van de ziel daarbinnen, betreffen het registreren van ervaringen
door die ziel en ook hoe die opgeslagen informatie vervolgens wordt meegenomen
naar een nieuw leven, naar een nieuwe persoonlijkheid. De antwoorden hierop
zijn van belang omdat ze een potentiële cliënt een eerste indruk kunnen
geven van de (spirituele) logica achter zowel het beleven van reïncarnatie
als de therapie die daarop afstemt.
Een belangrijke aanname binnen het gedachtengoed over
reïncarnatie en ziel is dat zielen zich met op aarde voorkomende levensvormen
(zoals de mens) verbinden om te ervaren. Welk hoger doel dat ervaren in
gang heeft gezet kan slechts speculerend beantwoord worden. Dit boekje
heeft bovendien een ander doel dan de oorsprong van het proces van reïncarnatie
te verklaren.
Ervaren, zoals mensen dagelijks doen, krijgt zin en
betekenis door het vermogen tot onderscheiden. Dit onderscheidingsvermogen
maakt gebruik van verschillende instrumenten:
- zintuigen: zien, horen, tasten, ruiken, proeven en wellicht ook wat
wel het zesde zintuig wordt genoemd;
- verwerkingsmechanismen: Mentaal, Emotioneel, Lichamelijk en Spiritueel
(MELS).
Het totale onderscheidingsvermogen van de mens drukt
zich uit in wat polariteiten genoemd worden: de combinatie van tegendelen
of polen als man en vrouw, volwassene en kind, dag en nacht, mooi en lelijk,
enzovoort. Zolang beide polen van een ervaring zintuiglijk waargenomen
en innerlijk verwerkt (geaccepteerd) worden ontwikkelt de persoonlijkheid
zich optimaal. Problemen ontstaan als iemand tijdens dat ervaren schrikt.
Schrik is de natuurlijke reactie op een zintuiglijke waarneming van gevaar.
Bij schrik stokt de adem en vindt instinctief dissociatie plaats van bewustzijn.
Het is een overlevingsmechanisme van de persoonlijkheid om emotionele
en lichamelijke pijn te vermijden. De angst voor pijn zorgt voor afwijzing
van tenminste één pool van een situatie of gebeurtenis. Bij schrikreacties
speelt ook het autonome zenuwstelsel van de mens een belangrijke rol.
Het autonome zenuwstelsel is verantwoordelijk voor de aanmaak van adrenaline.
Adrenaline helpt het lichaam te overleven door het in beweging te zetten:
het lichaam wil vluchten of vechten. Als de conditie van het autonome
zenuwstelsel door een combinatie van erfelijkheid en voorgaande ervaringen
aangetast is, raakt de productie en het gebruik van adrenaline verstoord.
In het lichaam toont zich dat in de vorm van verstarring, verlamming of
paniekachtige, oncontroleerbare bewegingen. Op zo'n moment ontstaat shock:
een combinatie van mentale dissociatie en lichamelijk onvermogen het gevaar
door vluchten of vechten te bezweren. Als shock aanhoudt ontwikkelt zich
een trauma. De vier interne verwerkingsmechanismen (MELS) werken niet
meer samen, er is sprake van desintegratie van de ervaring binnen de persoonlijkheid.
De ziel registreert automatisch deze gedesintegreerde en gepolariseerde
ervaringen (trauma's). Bij het sterven, zeker als dat sterven zelf ook
weer een traumatische ervaring is, worden de binnen de ziel aanwezige
trauma's helaas niet automatisch alsnog verwerkt. Het resultaat is dat
de ziel één of meerdere onverwerkte ervaringen uit het voorbije leven
in zich draagt. Deze onverwerktheden zorgen op korte of lange termijn
voor een nieuwe impuls tot incarneren. De ziel blijft namelijk op zoek
naar beleving van de totale ervaring, waarin beide polen geaccepteerd
worden (mannen en vrouwen, dag en nacht, mooi en lelijk, vies en lekker,
etc.). De ziel drukt dit verlangen uit in de nieuwe persoonlijkheid en
zijn omgeving zonder dat die persoonlijkheid onmiddellijk begrijpt waarom
het hier gaat. In die verwarring worden vaak besluiten en stappen genomen
die nieuwe onverwerktheden laten ontstaan. Therapie, in het bijzonder
reïncarnatietherapie, kan helpen om de verwarring op te heffen en oude
en nieuwe trauma's te verwerken.
Reïncarnatietherapie
Ieder mens heeft een natuurlijk verlangen naar geestelijke
en lichamelijke gezondheid, naar materiële zekerheid, naar verbondenheid
met en erkenning door anderen. Kortom het verlangen naar een zinvol en
gelukkig leven. Veel mensen merken echter dat ze een dergelijk verlangen
maar moeilijk kunnen realiseren. Ze worden geconfronteerd met allerlei
vormen van gevaar: lichamelijke of geestelijke ziekte, financiële onzekerheid,
eenzaamheid of gebrek aan waardering. In het bovenstaande is uitgelegd
hoe het ontstaan van dergelijke problemen vanuit het perspectief van reïncarnatie
wordt benaderd. Problemen worden gezien als signalen, waarschuwingen van
de ziel aan de persoonlijkheid om oudere onverwerktheden alsnog te verwerken.
Reïncarnatietherapie staat in de eerste plaats voor
het zodanig herbeleven en alsnog verwerken van tot nu toe onverwerkte
ervaringen, dat de daarmee verbonden problemen in het heden verdwijnen
en het ervaren van een gelukkig en zinvol leven (weer) mogelijk wordt.
Dat gebeurt op vier manieren:
- het opsporen en verwerken van door schrik en shock ontstane onverwerkte
ervaringen (trauma's);
- het opsporen en neutraliseren van kettingen van trauma's door verschillende
levens heen, deze kettingen worden thema's genoemd;
- het herstellen van door schrik en shock verbroken verbindingen met
voor de cliënt belangrijke ervaringsgebieden (mensen, natuur, het
eigen lichaam, eigen emoties, geld, etc);
- het ervaren van een complete verbinding met een ervaringsgebied
(dus met beide polen) versterkt de natuurlijke levenskracht van de
cliënt, hetgeen de basis vormt voor een zinvol en gelukkig leven.
Niet alleen bij reïncarnatietherapie maar ook bij vele
andere vormen van psychotherapie, zoals bijvoorbeeld psychoanalyse, deelpersoonlijk
heden-therapie, gestalt-therapie en hypno-regressietherapie, wordt geprobeerd
de cliënt door confrontatie met gebeurtenissen uit het verleden, zijn
problemen te helen.
Wat reïncarnatietherapie in de eerste plaats onderscheidt
van andere vormen van therapie die de relatie verleden-heden onderzoeken,
is het feit dat ervaringen die erop wijzen dat ze zich in een ander leven
dan het huidige afspelen serieus genomen worden. Ze worden in de therapeutische
situatie gebruikt om symptomen en thema's in het nu te laten verdwijnen
of te neutraliseren.
Een tweede belangrijk verschil vormen de verfijnde methoden
die, in het bijzonder bij holografische reïncarnatietherapie, worden gebruikt
om onverwerkte ervaringen alsnog te verwerken en thema's te neutraliseren.
Een derde onderscheid is de manier waarop bij reïncarnatietherapie
gebruik wordt gemaakt van de bewustzijnstoestand die 'trance' wordt genoemd.

Zijn er overeenkomsten en verschillen?
Veel mensen die zich oriënteren op verschillende therapievormen
hebben moeite hypnotherapie, regressietherapie en reïncarnatietherapie
van elkaar te onderscheiden.
De belangrijkste overeenkomst is dat alle drie de therapievormen
gebruik maken van trance. De verschillen zijn zowel terug te voeren op
de methoden waarmee trance wordt opgewekt en het verleden wordt blootgelegd
(de inductie-methoden) als de methoden om het gewenste resultaat te bereiken
(de begeleidings- en integratiemethoden). Met betrekking tot het laatste
is bij reïncarnatietherapie de aandacht vooral gericht op het gelijktijdig
verwerken van trauma's en het krijgen van inzicht in de nawerking van
die trauma's in het hier en nu.
Hypnotherapie
Binnen hypnotherapie worden meerdere benaderingen onderscheiden:
- de 'trance als genezende ervaring' benadering;
- de suggestieve benadering;
- de ontdekkende benadering;
- de op verstoring van bepaalde processen gerichte benadering.
Bij de eerste benaderingswijze gaat het vooral om de
effecten van door hypnotische inductie verkregen trance zelf. Het in trance
gaan, wat al dan niet via zelf-hypnose kan gebeuren, heeft vooral de bedoeling
te ontspannen, waaraan dan een genezende werking wordt toegedacht.
Bij de suggestieve benadering wordt zoals de naam reeds
aangeeft vooral gewerkt met suggesties. Een benadering die vaak wordt
toegepast bij problemen als willen maar niet kunnen stoppen met roken.
Dat gebruik van suggesties kan op twee manieren plaatsvinden: suggereren
hoe smerig roken wel niet is of suggereren dat de cliënt steeds minder
behoefte krijgt aan het roken van sigaretten tot de behoefte zelfs helemaal
verdwijnt. Traumaverwerking en het verkrijgen van inzichten spelen in
deze benadering nauwelijks een rol.
Bij de ontdekkende benadering wordt wel geprobeerd er
achter te komen wat de oorzaak van een probleem is. In het voorbeeld van
het sigaretten roken zal dus geprobeerd worden uit te vinden wat iemand
tot roken brengt. De therapeut probeert daarbij de oorspronkelijke ervaring
(de bron) te achterhalen, die ten grondslag ligt aan de spanning die de
cliënt steeds weer tot het opsteken van een sigaret beweegt. Veel hypnotherapeuten
blijven bij dat zoeken naar de oorzaak echter uitsluitend in dit leven.
In de laatste van de vier benaderingswijzen wordt het
vinden van de bron van een probleem als weinig zinvol gezien. Elke bron
wordt als een pseudo-bron beschouwd. Trance wordt gebruikt om er achter
te komen welk proces aan het opsteken van een sigaret vooraf gaat. Het
therapeutisch doel is het verstoren van het proces dat er voor zorgt dat
de cliënt een sigaret opsteekt, zodat in dezelfde situatie een ander proces
met een minder schadelijk resultaat ontstaat. In plaats van een sigaret
opsteken een kauwgompje nemen of je partner een zoen geven of zelfs een
geheel andere impuls volgen.
Regressietherapie
Regressie, het in trance teruggaan naar onverwerkte
ervaringen, is één van de methoden die binnen de ontdekkende hypnotherapie
is ontwikkeld. Een aantal hypnotherapeuten raakte zo gecharmeerd van het
werken met regressie, dat ze de methode steeds vaker gingen toepassen.
Vanuit die groep is ook een vorm van reïncarnatietherapie ontstaan, die
qua inductie en begeleiding sterke verwantschap vertoont met hypnotherapeutische
technieken als het ontspannen van het lichaam van de cliënt.
Een hypnotherapeut die langzaam de mogelijkheden van
regressie verkent begint met ervaringen in dit leven, met als te onderscheiden
regressiegebieden de volwassenheid, puberteit, lagere schooltijd, kleuterperiode
en de eerste levensjaren. Een stap verder is de geboorte erbij betrekken
en een flinke stap verder is het serieus nemen of zelfs op zoek gaan naar
ervaringen in de baarmoeder, de prenatale periode.
Zelfs therapeuten die geen enkel geloof hechten aan
reïncarnatie worden bij het teruggaan in de tijd geconfronteerd met spontaan
opkomende levenservaringen, die een andere bron lijken te hebben dan dit
leven. Nemen ze dergelijke ervaringen serieus dan zijn ze bezig een vorm
van reïncarnatietherapie te bedrijven. Nogal wat therapeuten die met materiaal
uit vorige levens werken geven overigens de voorkeur aan de benaming 'regressietherapie'
omdat ze menen dat het woord 'reïncarnatie' potentiële cliënten zal afschrikken
en/of erkenning van hun therapeutisch functioneren in de weg staat.
Reïncarnatietherapie
Reïncarnatietherapie heeft zich de laatste 25 jaar ontwikkeld
tot een zelfstandige vorm van therapie met eigen modellen, begrippen,
methoden en technieken. Dat is vooral te danken aan eigenzinnige pioniers
als Morris Netherton, Thorwald Dethlefsen, Roger Woolger en in Nederland
Hans ten Dam en de docenten van de School voor Reïncarnatietherapie Nederland.
Zij hebben specifiek voor reïncarnatietherapie geschikte inductie-, begeleidings-
en integratiemethoden ontwikkeld.
Voortbordurend op de inzichten van Ten Dam, Netherton,
Woolger en Dethlefsen is aan de praktijkopleiding van de School voor Reïncarnatietherapie
Nederland (SRN) de holografische reïncarnatietherapie ontwikkeld. Op een
aantal van de specifieke kenmerken van dit model wordt in de loop van
dit boekje teruggekomen.

Het verleden
We vergeten veel van wat er in ons leven plaatsvindt.
Zo zijn er maar weinig mensen met duidelijke herinneringen aan gebeurtenissen
van voor hun derde levensjaar. Maar ook een groot aantal gebeurtenissen
die later hebben plaatsgevonden zijn we vaak vergeten.
Dat kan natuurlijk zijn omdat ze blijkbaar te onbelangrijk
zijn om in ons bewuste geheugen mee te dragen. Het zou wat veel zijn om
ons alles wat we alleen al in dit leven ervaren hebben continu te herinneren.
Het kan echter ook zijn dat een ervaring zo onaangenaam
was, dat we er ons geheel of gedeeltelijk van gedissocieerd hebben. Bij
een complete dissociatie hebben we vaak wel last van symptomen, maar hebben
geen weet meer van de ervaring die er aan ten grondslag ligt. Bij gedeeltelijke
dissociatie dragen we vaak een onjuiste indruk van ervaringen met ons
mee.
We kunnen met grote angst of een sterk schuldgevoel
aan een bepaalde situatie terugdenken, waarvan bijvoorbeeld anderen vinden
dat die situatie een dergelijke sterke emotie onvoldoende rechtvaardigt.
Op vergelijkbare wijze kan een te rooskleurige indruk in ons bewustzijn
aanwezig zijn, een indruk waaruit de meer onaangename kanten van een ervaring
verdwenen zijn.
De methoden die bij reïncarnatietherapie gehanteerd
worden, stellen ons niet alleen in staat dissociaties op te heffen en
interpretaties van het verleden bij te stellen. Ze verlenen ook toegang
tot die gedeelten van onze huidige levensloop die we ons in het algemeen
nauwelijks kunnen herinneren, zoals onze baby-tijd, onze geboorte en het
verblijf in de baarmoeder. Wat veel mensen tot hun verbazing constateren
is dat we, als we daarvoor de juiste methoden gebruiken, alle belangrijke
levenservaringen kunnen herbeleven.
Vorige levens
Wat verder uit de praktijk van de reïncarnatietherapie
is gebleken, is dat dat herbeleven verder kan gaan dan de belangrijke
ervaringen die een mens in zijn leven heeft meegemaakt. Als bij het opsporen
van de bronnen van klachten en problemen een open instructie gehanteerd
wordt, bijvoorbeeld: "ga naar het moment waarin je die gevoelens
en die gedachte voor het eerst had", dan bestaat de kans dat ervaringen
naar boven komen die de cliënt onmogelijk meegemaakt kan hebben in het
huidige leven. Dat het daarbij wel degelijk om concrete ervaringen gaat
blijkt uit de sterke emotionele en lichamelijke gevoelens en mentale indrukken,
waarmee de herbeleving van dergelijke gebeurtenissen gepaard kan gaan.
Zoals reeds hierboven opgemerkt: veel therapeuten die
met behulp van trance de bron van problemen proberen op te sporen komen
dit in hun werk tegen. Welke naam de therapeut aan dit soort ervaringen
geeft en hoe serieus hij ermee omgaat hangt af van de levensbeschouwelijke
en/of religieuze optiek van waaruit geleefd en gewerkt wordt. Zo worden
verklaringen voor dit fenomeen gezocht in de aanwezigheid van een rijke
fantasie, in het optreden van psychodrama, in Jung's collectief onderbewuste
of in paranormale kwaliteiten als telepathie bij de therapeut en/of cliënt.
Desondanks zal iedere zichzelf respecterende therapeut,
ook al hecht hij zelf geen geloof aan het idee van reïncarnatie, de ervaringen
van cliënten die daarop wijzen serieus nemen. Want zoals de zeer kritisch
tegenover reïncarnatie staande Amerikaanse psychiater Gerald Edelstien
heeft opgemerkt: of je er nu in gelooft of niet, het werkt wel!
Wij gaan er vanuit dat een deel van de ervaringen die
in de therapie omhoog komen inderdaad op vorige levens terug te voeren
zijn. Die conclusie baseren we zowel op de soms verbluffend authentieke
herbelevingen van cliënten als op onze eigen ervaringen als cliënt. Dat
ervaringen uit een 'vorig leven' soms eerder een symbolische dan authentieke
betekenis lijken te hebben en/of historisch aanvechtbaar (b)lijken, doet
weinig af aan onze overtuiging dat reïncarnatie een gegeven is. We zijn
daarbij de overtuiging toegedaan dat een therapeut alleen effectief met
(holografische) reïncarnatietherapie kan werken als hij de overtuiging
heeft dat reïncarnatie de meest logische verklaring is voor menselijk
gedrag.
Doelstellingen van de therapie
Het is onze ruime ervaring dat het effect van de therapie
los staat van het geloof in reïncarnatie, maar we willen daar wel meteen
een belangrijke kanttekening bij plaatsen.
Het resultaat dat de cliënt bij reïncarnatietherapie
nastreeft kan zeer verschillend zijn. De één wil zo snel mogelijk van
zijn probleem af, wil wel weten waar dat probleem mee te maken heeft,
maar is minder geïnteresseerd in het proces van zielsontwikkeling waar
het probleem deel van uitmaakt. De ander wil juist precies weten wanneer
en hoe de overtuigingen zijn ontstaan, die die zielsontwikkeling (mede)
vorm hebben gegeven. Dit in het vertrouwen dat wanneer daar inzicht in
ontstaat de overtuigingen en het patroon veranderen, waardoor de daarmee
samenhangende problemen verdwijnen.
Problemen kunnen inderdaad een directe, enkelvoudige
lijn hebben met een onverwerkte ervaring uit het verleden. Zo kan hoogtevrees
verdwijnen door de herbeleving van een val met dodelijke afloop in een
vorig leven. Hierbij wordt de beperkte doelstelling gehanteerd de angst
voor hoogte te laten verdwijnen. Of de cliënt uiteindelijk gelooft dat
hij werkelijk in een vorig leven van een toren of berg is gevallen, is
van minder belang. Zolang dat wat als onverwerkt naar boven komt maar
goed herbeleefd en alsnog verwerkt wordt.
Veel vaker blijkt echter dat een probleem het symptoom
is van een thema, uitgedrukt in een reeks samenhangende trauma's, herbeleefd
in steeds andere levens. Veel cliënten die zo'n therapeutisch proces doormaakten
raakten er meer en meer van overtuigd dat alleen reïncarnatie de inhoud
en vooral samenhang van de herbelevingen kan verklaren.
Reïncarnatietherapeuten blijven bij cliënten die worstelen
met het verklaren van hun ervaringen in therapie afstemmen op de belevingen
en interpretaties van die cliënten. Ze zullen de herbelevingen echter
zelf wel vanuit het perspectief van reïncarnatie en zielsontwikkeling
benaderen.
Het Holografisch Model
Het verschil tussen het werken met een enkel vorig leven
en het werken met een reeks thematische verbonden levens wordt ook wel
het onderscheid tussen het causale en het polaire model van reïncarnatietherapie
genoemd. En hoewel we niets hebben tegen het in specificieke situaties
toepassen van het causale model, is wel gebleken dat deze aanpak bij veel
chronische problemen onvoldoende resultaat oplevert. Het polaire model
heeft de laatste jaren dan ook steeds meer aandacht gekregen, hetgeen
geleid heeft tot de ontwikkeling van de reeds genoemde Holografische Reïncarnatietherapie.
Dit model ontleent zijn naam aan de holografische fotografie.
Een hologram is een meer dimensionale, door middel van laserlicht verkregen
foto. Een kenmerk van een hologram is dat als je slechts een deel van
een object fotografeert, bij projectie toch het hele object zichtbaar
is, zij het dat het ontbrekende deel vager waarneembaar is. Hersenonderzoek
heeft laten zien dat de menselijke geest iets vergelijkbaars vertoont
als het informatie opslaat en ook weer reproduceert. De eerder genoemde
instrumenten van de mens, namelijk de zintuigen en de interne verwerkingsmechanismen,
slaan de totale informatie van een ervaring op. Voor het reproduceren
van die totale informatie dient echter slechts één element (bijvoorbeeld
een emotie of een overtuiging) bewust aanwezig te zijn om uiteindelijk
de totale ervaring te kunnen herbeleven. De emotie of de overtuiging werkt
dan als verbinding (brug) met de totale ervaring.
Werkend met de inzichten van therapeuten als Morris
Netherton en Hans ten Dam hebben we gemerkt dat deze 'holografische brug'
het meest effectief is als die in twee fasen wordt toegepast: beginnend
met slechts één element wordt een brug geconstrueerd van tenminste drie
samenhangende elementen: een Mentaal element (woorden, beelden, geluiden,
etc.) een Emotioneel element (angst, verdriet, kwaadheid, etc.) en een
Lichamelijk element (pijn, vermoeidheid, restrictie, disfunctie, etc.).
Deze M+E+L-brug brengt in vele gevallen het hele 'hologram' (de totaliteit)
van een traumatische ervaring binnen enkele minuten omhoog, zelfs wanneer
de cliënt eerst blokkeert.
Morris Netherton zorgde voor een belangrijke verdieping
van onze inzichten in het holografisch principe van de reïncarnatietherapie
toen hij tijdens een workshop in Nederland duidelijk maakte dat elk chronisch
probleem thematisch van karakter is. Een dergelijk thema is vrijwel altijd
in elk van de volgende vier herbelevingsgebieden terug te vinden:
- vorige levens;
- tussenbestaanservaringen, waaronder incarnaties;
- prenatale periode en geboorte;
- huidige leven.
Ervaring heeft ons geleerd dat het vinden van het thema
achter de symptomen en in het bijzonder de kernovertuiging achter dat
thema je in principe toegang verschaft tot alle vier deze gebieden. We
spreken in dit verband van het 'grote hologram' van een probleem, dit
ter onderscheid van het opsporen en doorwerken van één specifieke onverwerkte
ervaring, dat we het werken met het 'kleine hologram' noemen.
Het ontstaan van een groot hologram kan als volgt worden
samengevat:
Als je in een leven vóór, gedurende of na de dood je
daden en niet-daden evalueert en daarbij afwijst wat je gedaan of juist
nagelaten hebt, zorg je via deze zelfveroordeling voor desintegratie binnen
de ziel. Bepaalde levenservaringen worden niet geaccepteerd en blijven
onverwerkt.
Door vast te stellen (te postuleren) "Ik wil nooit
meer in een positie verkeren, waar ik dergelijk fouten kan maken",
blijf je sterk verbonden met wat je denkt verkeerd gedaan te hebben. Met
als gevolg dat je in je volgende incarnatie met dezelfde aspecten te maken
krijgt, maar dan (door de projectie) in een andere - tegenovergestelde
- rol, namelijk die van slachtoffer.
De nieuwe persoonlijkheid is zich niet bewust van de
omslag van dader naar slachtoffer en kan zich door te blijven projecteren
steeds meer slachtoffer gaan voelen. Zo kun je een leven lang in die rol
gevangen blijven, waarbij een ketting aan traumatische slachtofferervaringen
kan ontstaan.
Met dit patroon kom je ook je huidige leven binnen,
op een onderbewust (en soms zelfs bewust) niveau op zoek naar omstandigheden
en ervaringen, die bedoeld patroon zullen bevestigen. En je vindt (of
beter actualiseert) deze omstandigheden reeds in de prenatale periode
en tijdens de geboorte. Onbewust van dit proces kan deze vorm van programmering
je keuzevrijheid in het leven ernstig beperken. Maar ook hierin is het
begrip polariteit weer herkenbaar: problemen, ontstaan als gevolg van
dit gebrek aan keuzevrijheid, zijn bedoeld om je bewust te maken van je
trauma's en thema's en deze te neutraliseren.
Het doorwerken van de samenhangende trauma's van een
groot hologram, in het bijzonder de bronnen van de belangrijkste beperkende
overtuigingen en actualiseringen, kan door acceptatie vrijheid van keuze
in je leven terugbrengen en daarmee levensgeluk.

Over de methoden die herbeleving van oude onverwerktheden,
bijvoorbeeld in een vorig leven mogelijk maken gaan we het zo hebben.
Eerst willen we nog stilstaan bij de verschillende manieren waarop we
het verleden kunnen ervaren. Ten Dam onderscheidt met betrekking tot de
manier waarop iemand zich bewust kan worden van zijn verleden een vijftal
niveaus:
- geheugen
- herinnering
- herbeleving
- regressie
- identificatie
Met geheugen wordt hier bedoeld dat bij de oriëntatie
op het verleden het bewustzijn volledig in het nu blijft. Er is slechts
sprake van het naar voren halen van informatie uit het verleden. Je weet
bijvoorbeeld nog dat je de pest had aan naar school gaan, vooral als het
regende, want dan stonk de hele school naar natte kleren.
Bij herinnering komt het verleden op in de vorm van
indrukken van vroeger. Bij sommige mensen zijn dat vooral visuele indrukken,
bij anderen gehoorsindrukken of een soort interne dialoog, bij weer anderen
gevoelsindrukken, terwijl er ook mensen zijn die met de ervaring verbonden
reuk- en/of smaakindrukken krijgen.
Wanneer je begeleid wordt bij het ophalen van herinneringen
kan de oorspronkelijke indruk zich verbreden tot andere zintuiglijke waarnemingen.
Waar je eerst alleen maar beelden van vroeger had, bijvoorbeeld die van
je oude school met zijn lange gangen, ruik je nu ook weer de natte jassen
aan de kapstokken en hoor je de snerpende stem van je onderwijzer. De
mate waarin je dat kunt, heeft onder meer te maken met de manier waarop
je informatie verwerkt en ook weer naar voren kunt halen. Iets wat weer
sterk beïnvloed kan zijn door ervaringen uit het verleden.
Een herinnering kan zo compleet worden, dat de meeste
indrukken van toen, in het bijzonder gevoelens en gedachten, weer sterk
naar voren komen. Dat noemen we herbeleving. Je ervaart dat je door de
gang van je school loopt op weg naar je klas, je rilt weer van afkeer
en krijgt gedachten als: 'had ik maar durven spijbelen'.
Zoiets geeft overigens een merkwaardig gespleten bewustzijn:
je blijft wie je nu bent, je weet ook waar en bij wie je bent, maar tegelijkertijd
ervaar je jezelf ook als tienjarige.
Bij wat hier met regressie aangeduid wordt, herbeleef
je niet alleen dergelijke schoolmomenten, eveneens is ook alles wat je
sinds zo'n moment hebt ervaren tijdelijk op de achtergrond gedrongen.
Je bent alles wat je sinds die tijd hebt meegemaakt even kwijt. Je hoort
jezelf antwoord geven zonder tussenbeide te kunnen komen, ook al stroken
je huidige opvattingen in het geheel niet met de toen gevoelde behoefte
aan spijbelen.
Regressie kan zich verdiepen tot identificatie. Wanneer
dat gebeurt zit je echt helemaal in het verleden. Je voelt je zozeer het
kind met zijn afkeer van school, dat je nauwelijks nog weet dat je bij
een therapeut op de bank ligt. Het komt bij identificatie dan ook voor
dat de cliënt kribbig vraagt wie toch steeds die irritante vragen stelt.
Omdat de termen reïncarnatietherapie en regressietherapie
nogal eens door elkaar gebruikt worden willen we nadrukkelijk stellen
dat voor effectieve reïncarnatietherapie het niveau van herbeleving meestal
voldoende is. Herbeleving heeft zelfs de voorkeur boven regressie omdat
het een voordeel heeft - het bewustzijn blijft voor een groot deel in
het nu - waarop we bij het bespreken van de inductie-methoden (de manieren
om herbeleving tot stand te brengen en daarbij trance op te wekken) nog
terugkomen.
Het is overigens onze ervaring dat in sessies de verschillende
niveaus elkaar vaak afwisselen. Het teruggaan naar het verleden kan bijvoorbeeld
beginnen met een sterke herinnering, die zich verder verdiept, eerst tot
herbeleving, daarna tot regressie, om vervolgens terug te keren naar het
niveau van herbeleving, om daar te blijven.
Op welk niveau een sessie zich voornamelijk afspeelt
heeft te maken met de trance-diepte, die op een zeker moment bereikt wordt.
En die trance-diepte wordt weer bepaald door diverse factoren.
Je hoort vaak de vreemdste verhalen over trance.
Kan in trance gaan gevaar opleveren voor je gezondheid?
Over het begrip trance bestaat bij veel mensen nog steeds
verwarring. Vaak wordt verondersteld dat trance en hypnose synoniem zijn.
Dat komt omdat hypnose in het algemeen spraakgebruik twee betekenissen
kent: een bepaalde bewustzijnstoestand en een verzameling van methoden
om trance te bewerkstelligen. Er zijn evenwel, zoals hieronder blijkt,
meer van dit soort methoden. De meeste mensen realiseren zich onvoldoende
dat trance een zeer natuurlijk gebeuren is dat menigeen dagelijks ervaart.
Iedereen die echt verdiept kan raken in een boek, film of concert komt
daarbij in een lichte trance.
Vooroordelen
Vooral ten aanzien van door hypnotische methoden opgewekte
trance bestaan bij veel mensen nog regelrechte vooroordelen:
- bij een diepe trance bestaat het gevaar dat je niet meer terug kunt
komen;
- trance kan schadelijk zijn voor je gezondheid;
- bij trance lijd je tijdelijk aan wilszwakte, waardoor je als was
in de handen van de therapeut bent.
Voor de eerste twee vooroordelen bestaat geen enkel
bewijs. De enkele keer dat iemand moeite heeft te reageren op de suggestie
van de begeleider terug te komen in het nu, gaat de trance-toestand vanzelf
over in een slaap-toestand, waaruit hij na verloop van tijd ontwaakt.
Verder zijn er duidelijke aanwijzingen dat trance, los van welke therapeutische
ingreep dan ook, de gezondheid kan bevorderen.
Ook de wil blijft intact, behalve natuurlijk als de
persoon in kwestie het zelf prettig vindt dat zijn wil uitgeschakeld wordt.
Iets dat nog wel eens gebeurt bij voorstellingen van toneelhypnotiseurs.
Dan blijkt dat sommige mensen er geen bezwaar tegen hebben zich voor een
zaal vol publiek te laten manipuleren.
Makkelijk in trance komen staat los van wilszwakte.
Waar het wel mee te maken heeft is de kwaliteit jezelf ergens goed in
te kunnen verdiepen of op te kunnen concentreren, en dat je zowel in jezelf
als in de begeleider of therapeut vertrouwen hebt.
Trance-diepte
Hierboven merkten we op dat het tot stand brengen van
trance en het verloop van de trance-diepte tijdens een sessie afhankelijk
zijn van een aantal factoren:
- de methode, die gehanteerd wordt om tot herbeleving te komen;
- de kwaliteit van de therapeut;
- het psychologische patroon van de cliënt;
- de voorgeschiedenis;
- de aard van de ervaringen, die in trance opkomen.
Verderop in dit boekje gaan we nog dieper in op de verschillende
methoden, die bij reïncarnatietherapie gebruikt worden om tot tenminste
herbeleving van ervaringen in het verleden te kunnen komen. Sommige cliënten
zijn meer gevoelig voor specifieke trance opwekkende methoden.
Het spreekt vanzelf dat ook de kwaliteiten van de therapeut
een belangrijke rol spelen bij de diepte van de trance. Zoals een slecht
geschreven deel van een verder boeiend boek je zo kan ergeren dat je je
plotseling weer bewust wordt van je omgeving, zo kan verkeerd woord- of
stemgebruik of een onjuiste vraagstelling door de therapeut het ontstaan
van trance en de trance-diepte tijdens de sessie negatief beïnvloeden.
(Zelf)vertrouwen is in feite de sleutel tot een geslaagde
reïncarnatietherapie. Van de therapeut mag verwacht worden dat hij zowel
vertrouwen heeft in de kwaliteit van de eigen arbeid als in de samenwerking
met de cliënt. Maar ook de laatste moet enig zelfvertrouwen hebben en
dient zeker de therapeut te vertrouwen. Omdat de cliënt nu eenmaal een
probleem heeft is dat zelfvertrouwen vaak de zwakste schakel, hetgeen
tot blokkades van verschillende aard kan leiden.
Verder is gebleken dat zeer intellectueel ingestelde
mensen in eerste instantie vaak minder trance-gevoelig zijn dan meer emotioneel
ingestelde mensen. Toch kan met behulp van verschillende methoden ook
bij de eerste groep de ingang gevonden worden voor een succesvolle therapie.
Ten aanzien van de voorgeschiedenis is ons duidelijk
geworden dat na een eerste (geslaagde) sessie de cliënt meestal makkelijker
in trance komt. Vaak is dan ook een minder diepe trance nodig, tenzij
er nieuw materiaal met sterke ladingen naar boven komt.
Dit laatste geeft reeds aan dat de ervaringen die een
cliënt opnieuw beleeft tijdens een sessie de trance-diepte kunnen beïnvloeden.
Wanneer er bijvoorbeeld bij het herbeleven van een traumatische situatie
zeer sterke gevoelens loskomen, zal het herbeleven zich ineens kunnen
verdiepen tot het niveau van regressie of zelfs identificatie.
Van de therapeut mag verwacht worden dat hij wisselingen
in trance-diepte onderkent en waar nodig bijstelt.
De vragen van de therapeut
Je hebt naar wij hopen reeds heel wat van je vragen beantwoord
gekregen. Een paar komen later aan bod. Het is nu de therapeut, die je
een aantal vragen wil stellen. Hij vraagt je in de eerste plaats naar
de reden van je komst en nodigt je uit iets over je probleem of klacht
te vertellen. Vervolgens specificeert hij dat probleem zo precies mogelijk.
Hij richt zich daarbij vooral op het bewust maken van het onbewust aanwezige
thema in de vorm van een beperkende overtuiging.
Stel dat je een sterke angst voor water hebt. De therapeut
wil er dan achter komen, wat er met je gebeurt als je met water in aanraking
komt. Het antwoord op die vraag kan zijn: "Ik schrik dan, houd mijn
adem, waarbij ik denk: Help! Ik verdrink. Ik ga dood!"
De therapeut specificeert die gedachte waarbij duidelijk
kan worden dat je de overtuiging hebt dat je in zo'n situatie, ook al
sta je maar tot je knieën in het water, alle controle verliest. Ook al
weet je bewust dat dat onzin is (in een zwembad zie je kleine kinderen
onbezorgd in het ondiepe spelen), onbewust is er de overtuiging dat de
grond onder je voeten zal verdwijnen.
De therapeut wil vervolgens verder uitdiepen hoe je je
dan emotioneel en fysiek voelt. Ook wil hij weten wanneer jij denkt dat
het probleem zich in dit leven voor het eerst heeft geopenbaard (het kan
zijn dat je dat absoluut niet weet) en hoe je jezelf mentaal, emotioneel
en lichamelijk ervaart als die angst voor water voorbij zal zijn (de gewenste
toestand).
Verder stelt de therapeut een groot aantal vragen over
je huidige leven: wat je weet van de relatie tussen je ouders ten tijde
van de conceptie en gedurende de tijd dat je moeder zwanger van je was.
Of je iets weet van je geboorte. Die vragen zijn belangrijk omdat tijdens
de conceptie, prenatale periode en geboorte veel onverwerkte ervaringen
uit een verder verleden, in casu vorige levens, worden geactualiseerd.
Ook worden er vragen gesteld over tal van aspecten van je huidige leven:
baby- en kleutertijd, schooltijd, het gezin waarin je opgroeide, relaties
(vooral met de ouders), seksualiteit, eigen gezin, werk, hobby's, ziekte
en gezondheid, medicijngebruik, ervaringen met therapie en tenslotte hoe
je tegenover reïncarnatie staat. De therapeut doet dit omdat hij nog meer
bewijzen wil vinden dat de angst voor water het symptoom is van een dieper
liggend thema. In het geval van angst voor water, waarschijnlijk een meer
algemene angst de controle te verliezen in voor jou bedreigende situaties.

Elke reïncarnatietherapie begint met een intakegesprek.
Zo'n gesprek is gericht op het bereiken van meerdere doelen:
- vaststellen, uitgaande van de grenzen van de therapeut, de cliënt
en de therapievorm, of reïncarnatietherapie bij deze cliënt met dit
probleem geschikt is;
- scheppen van een vertrouwensrelatie door goed op de cliënt af te
stemmen;
- vaststellen hoe de cliënt informatie verwerkt en ook weer reproduceert;
- specificeren van problemen, gericht op het herkenbaar maken van
thema's en de onderliggende beperkende overtuigingen en gevoelens;
- afspreken van duidelijke beginpunten om mee te werken;
- opvragen van essentiële informatie uit het huidige leven;
- vaststellen van de door de cliënt gewenste toestand na afloop van
de therapie.
Op de grenzen van therapeut, cliënt en therapie en de
mate waarin ze de mogelijkheden van het doen van reïncarnatietherapie
bepalen komen we aan het eind van dit boekje nog terug.
Specificeren van problemen
Vaak zijn mensen, vooral wanneer ze het over hun problemen
hebben, vaag en/of onzorgvuldig in hun taalgebruik: ze laten informatie
weg, ze vervormen, ze generaliseren. Het is dan belangrijk door een gerichte
vraagstelling het probleem te specificeren, zo duidelijk mogelijk te krijgen.
Bij dat specificeren blijkt dan vaak dat het probleem een symptoom is
van een thema, een omvattender probleemstructuur. Een dergelijke structuur
kan herkend worden in beperkende oordelen of overtuigingen die de cliënt
over zichzelf en de wereld om hem heen er op nahoudt. We noemen zulke
oordelen of overtuigingen postulaten. Voorbeelden van dergelijke postulaten
zijn:
"Niemand houdt van me." - "Mensen zijn
wreed." - "Als het goed gaat gaat het fout."
Het zo snel mogelijk achterhalen van beperkende postulaten
is van groot belang voor het verdere verloop van de therapie, zowel met
betrekking tot het vinden van de bronnen ervan, als het begeleiden, als
het afronden.
Afstemmen op de cliënt
Goed afstemmen op de cliënt is onontbeerlijk wil er
sprake zijn van een goede verstandhouding met de cliënt. Het belangrijkste
aspect van dit afstemmen is op een empatische manier inleven in de problematiek
en de leefwereld van de cliënt. Verder kan het (subtiel) spiegelen van
de manier waarop de cliënt verbaal en nonverbaal communiceert het vertrouwen
in de therapeut versterken. Met spiegelen wordt bedoeld dat de therapeut
de woordkeus en lichaamshouding van de cliënt regelmatig overneemt.
Informatie verwerken en reproduceren
Communicatiewetenschappers zijn er achter gekomen dat
ieder mens een favoriet(e) systeem of strategie heeft om informatie te
verwerken en ook weer te reproduceren. Bij de een is dat vooral visueel
of beeldend, bij een ander auditief of horend of juist meer kinestetisch
of gevoelsmatig, terwijl er ook mensen zijn die alle drie de (representatie)systemen
in een bepaalde volgorde gebruiken. Uit iemands taalgebruik kun je vaak
reeds opmaken wat zijn favoriete systeem of volgorde van systemen is,
maar ook allerlei non-verbale signalen geven daar inzicht in.
Kennis van het gebruik van deze systemen zorgt niet
alleen voor een betere vertrouwensrelatie tussen cliënt en therapeut (bijvoorbeeld
door het systeem van de cliënt te spiegelen), het levert de therapeut
ook informatie op over de manier waarop de cliënt het herbeleven van het
verleden waarschijnlijk in eerste instantie zal ervaren: meer visueel,
meer via het gehoor, meer gevoelsmatig, meer in de vorm van een soort
interne dialoog of de systemen in een bepaalde volgorde combinerend. Informatie,
die belangrijk is voor het begeleiden van de opkomende ervaringen.
De gewenste toestand
We stelden het reeds in de inleiding: bij reïncarnatietherapie
wordt ervan uitgegaan dat problemen in het heden hun oorsprong vinden
in onverwerkte ervaringen in het verleden en dat die ervaringen zo herbeleefd
kunnen worden dat alsnog acceptatie en verwerking plaatsvindt, waardoor
de problemen op korte of wat langere termijn verdwijnen.
Specificeren van het taalgebruik van de cliënt helpt
ook bij het duidelijk krijgen van wat de cliënt precies wil bereiken met
de therapie. Belangrijk is daarbij dat de gewenste toestand wordt geformuleerd
in positieve woorden en haalbaar is gezien de persoonlijkheid van de cliënt.
Biografische analyse
Het is voor het totale therapeutische proces belangrijk
veel te weten over het leven van de cliënt. Voorbeelden van vragen, die
tijdens het voorgesprek gesteld zullen worden:
Wat weet je van de levensomstandigheden van je ouders
op het moment van je conceptie? Van je eigen prenatale periode en geboorte
(van horen zeggen)? Hoe heb je je jeugd ervaren? Hoe was de relatie van
je ouders? Met je ouders en andere gezinsleden? Welke ziektes en problemen
heb je gehad (ook: ziekenhuisopnamen, operaties, medicijnen, verslavingen,
therapieën)? Welk werk doe je en/of heb je gedaan? Hoe ziet je gezinsleven
er nu uit? Welke hobby's heb je? etc.
Dergelijke vragen worden uiteraard niet uit pure nieuwsgierigheid
gesteld. De therapeut wil specifieke dingen te weten komen. Waar hij in
de allereerste plaats achter wil komen is of de diepere achtergrond van
het probleem van de cliënt als thema herkenbaar is door zijn leven heen.
En dat vanaf het begin van het huidige leven, namelijk de conceptie.
Wanneer de cliënt specifieke mentale, emotionele en/of
lichamelijke klachten heeft, dan is één van de eerste vragen: "Sinds
wanneer bestaan die klachten?" En de therapeut probeert dan ook uit
te vinden of voorafgaand aan het ontstaan van de klachten bepaalde gebeurtenis
sen in het leven hebben plaatsgevonden, die mogelijk
verantwoordelijk zijn voor het ontstaan ervan. Stel dat duidelijk wordt
dat een cliënt een jaar voor de klachten begonnen een relatie heeft afgebroken
omdat de partner overspelig bleek. De therapeut vraagt dan wat die ervaring
betekend heeft, hoe de cliënt zich toen gevoeld heeft, welk besluit of
conclusie hij toen genomen/getrokken heeft. Stel de cliënt antwoordt:
"Ik voelde me verraden". Wanneer een dergelijke krachtige uitspraak
naar voren komt is het belangrijk uit te vinden of de overtuiging van
'verraden voelen' bij meerdere ervaringen in het huidige leven aan de
orde is.
Het kan zijn dat door een gerichte analyse herkenbaar
wordt dat bijvoorbeeld vader moeder in de steek heeft gelaten toen hij
hoorde dat ze zwanger was, dat de dokter bijna te laat kwam voor de bevalling,
dat moeder er zelden was als de cliënt uit school kwam, dat vader nooit
contact heeft gezocht met het kind en dat in meerdere relaties verschillende
vormen van ontrouw een rol hebben gespeeld. Op die manier wordt het thema
'verraad' en daarmee het grote hologram van dat thema reeds zichtbaar.
Natuurlijk is het niet altijd even gemakkelijk een probleem reeds in het
eerste voorgesprek tot een dergelijk thema te verdiepen. Het is echter
wel belangrijk dat de biografische analyse daar steeds op gericht is.
Een groot voordeel van zo'n analyse is dat het onbewuste
thema bewust wordt gemaakt. De cliënt begint reeds in een vroeg stadium
van de therapie te begrijpen dat de opeenvolging van ervaringen die te
maken hebben met zich verraden of in de steek gelaten voelen hem iets
willen vertellen over onverwerkte ervaringen in een verder verleden.
Een ander voordeel van een uitgebreide analyse is dat
therapeut en cliënt al een beetje voorbereid zijn op wat mogelijk aan
ervaringen uit het huidige leven naar boven komt. Een zeer traumatische
bevalling bijvoorbeeld of een grote angst om in trance te gaan i.v.m.
ervaring(en) met narcose, druggebruik, meditatie en/of trance-therapieën.
Een derde voordeel van een verdiepend intakegesprek
is dat bepaalde informatie de therapeut kan helpen het probleem-oplossend
vermogen van de cliënt te stimuleren. Vooral tijdens het integreren en
afronden kan de therapeut dan gebruik maken van wat een cliënt hem verteld
heeft over zijn hobby's, interesses, werk, daar waar hij zijn levenskracht
het meest optimaal heeft kunnen uitdrukken.
Tenslotte kan een zorgvuldige analyse therapeut en cliënt
bewust maken welke beperkende omgevingen de probleemoplossing kunnen vertragen
of zelfs tegenhouden. Met omgevingen bedoelen we: het gezin, het land,
geboortestreek, scholing, beroep, relaties, etc. Deelname in of betrokkenheid
bij die omgevingen is immers het geprojecteerde resultaat van bepaalde
overtuigingen bij de cliënt. Wanneer die overtuigingen zich door therapie
wijzigen verdwijnen sommige omgevingen, andere passen zich soepel aan
aan de veranderingen, maar weer andere kunnen ook hardnekkig overeind
blijven. Het is belangrijk daarop voorbereid te zijn.
Beginnen met herbeleven
De eerste bijeenkomst gaat in principe geheel op aan
het intakegesprek. Aan het wederzijds uitwisselen van informatie, het
gelijktijdig scheppen van een vertrouwensband, het specificeren van het
probleem naar onderliggende thema's en het vaststellen van de gewenste
toestand. Laten we er van uitgaan dat tijdens de intake een voldoende
sterke vertrouwensband is ontstaan om therapie mogelijk te maken. Er wordt
dan een volgende afspraak gemaakt om te beginnen met het herbeleven van
het (onverwerkte) verleden.
Als je voor de tweede sessie arriveert, wordt er waarschijnlijk
maar kort gepraat. Misschien heb je nog een enkele vraag die je vergeten
was te stellen of wil de therapeut op een bepaald punt nog wat aanvullende
informatie van je hebben.
Vervolgens vraagt de therapeut je plaats te nemen op
de bank of het matras of wat hij ook gebruikt bij herbelevingen. Wanneer
je goed ligt, word je gevraagd je ogen te sluiten. De inductie, het in
contact treden met ervaringen die aan je probleem ten grondslag liggen,
begint. Holografische reïncarnatietherapeuten gebruiken daarvoor bij voorkeur
de brugmethode.
De therapeut geeft bij het gebruik van de brugmethode
één van de volgende opdrachten. Hij vraagt je:
- op de emotie, die bij je probleem hoort te concentreren; of
- op het lichaamsgevoel dat met je probleem samenhangt te richten;
of:
- terug te gaan naar de laatste keer dat je je probleem concreet ervaren
hebt; of:
- een zin te herhalen, die je tijdens het praten over je probleem
hebt geuit.
Welke van die opdrachten/vragen het eerst gesteld wordt,
hangt van een aantal factoren af, waarvan de belangrijkste de aard van
het probleem is.
Wanneer we het voorbeeld van de angst voor water nog
even aanhouden, dan is de kans groot dat je liggend in de werkkamer van
de therapeut die angst niet zo sterk zult voelen. In dat geval zal de
therapeut je óf vragen terug te gaan naar een recente situatie die je
je goed herinnert, waarin je die angst voor water sterk ervaart; óf je
bijvoorbeeld de zin: Help! Ik verdrink! een flink aantal keren laten herhalen.
Het kan ook zijn dat hij beide combineert: terwijl je
je herinnert, herhaal je de zin een aantal malen. Ervaring heeft uitgewezen
dat de kans dan zeer groot is dat, vooral wanneer de therapeut in zijn
stem de angst ook nog eens laat doorklinken, je het angstgevoel weer gaat
ervaren.
De volgende stap is dan dat je gevraagd wordt die angst
in je lichaam te voelen. Emoties hebben altijd één of meer specifieke
plaatsen waar ze in het lichaam resoneren, bijvoorbeeld de buik, maag,
longgebied, rug, benen, keel, hoofd, etc.
Als je daarvoor toestemming hebt gegeven (de therapeut
vraagt dat altijd van tevoren) kan het gebeuren dat de therapeut de plaats(en)
waar je de emotie in je lichaam voelt aanraakt. Door dat aanraken ervaar
je de lichamelijke en emotionele sensaties vaak nog sterker. Als de therapeut
overtuigd is dat de emotie en het lichaamsgevoel sterk genoeg zijn, geeft
hij je de opdracht te gaan naar de eerste keer dat je die emotie hebt,
dat lichaamsgevoel ervaart, die gedachte door je heen voelt gaan. In de
meeste gevallen krijg je dan direct een indruk van een ervaring die met
de angst voor water samenhangt.

Met inductie-methoden wordt het gereedschap bedoeld
waarmee de therapeut de cliënt in staat stelt contact te maken met (onverwerkte)
ervaringen uit het verleden.
Indirecte methoden: trance als vertrekpunt
(Klassieke) hypnose is ongetwijfeld de meest toegepaste
en daardoor meest bekende van deze methoden. Hypnose is in feite niet
meer dan het door middel van verbale en/of andere zintuiglijke suggesties
tot stand brengen van trance. Via hypnotische methoden verkregen trance
wordt daarom wel de consequentie van de suggestie genoemd. Een veel gebruikte
klassieke hypnotische methode is ontspanning van het hele lichaam, gecombineerd
met armlevitatie. Er bestaan echter zeer veel verschillende hypnotische
methoden en technieken.
De laatste twintig jaar heeft vooral het werk van de
Amerikaanse hypnotherapeut Milton Erickson opgang gemaakt. Erickson was
een meester in het gebruik van taal bij het in trance brengen van mensen.
Zijn methode van werken heeft veel navolging gekregen. Zo hebben Richard
Bandler en John Grinder zich voor een belangrijk deel op Erickson gebaseerd
bij het ontwikkelen van hun Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP), een
vorm van moderne hypnotherapie, waarbij met vele geraffineerde trance-inducerende
methoden gewerkt wordt.
Een inductie-techniek die verwant is aan hypnose is
magnetiseren. Veel magnetiseurs strijken bij trance-inductie langs het
lichaam, de zgn. passes, maar er zijn ook andere gebruiken. Vaak ondersteunt
de magnetiseur het werk van zijn handen met zijn blik en mentale concentratie.
Omdat slechts een minderheid aan reïncarnatietherapeuten verontwikkelde
magnetische gaven beschikt, wordt deze techniek in verhouding minder toegepast.
Veel vaker wordt gebruik gemaakt van visualisatie-oefeningen,
meestal in de vorm van een geleide fantasie. De eerste stap hierbij is,
net als bij veel klassieke hypnotische inducties, het bereiken van lichamelijke
en psychische ontspanning. Daarbij wordt niet geprobeerd een zo diep mogelijke
trance aan te brengen, maar wordt het lichaam (verder) doorgelicht door
aandacht te schenken aan spieren die nog niet ontspannen zijn, aan de
ademhaling, de hartenklop, etc. Zo vindt verdere verzinking in het eigen
lichaam plaats. Dit trekt de aandacht van de buitenwereld weg en stimuleert
reeds het voorstellingsvermogen. De volgende stap is meestal de cliënt
een zogenaamde archetypische omgeving te laten fantaseren: in een dal,
op een berg, aan of op het water, zwevend in de lucht.
Het voordeel van deze methode is dat vanuit dergelijke
archetypische voorstellingen de overgang naar een vorig leven verbeeld
kan worden door weer andere archetypische voorstellingen als het aflopen
van een trap, het oplopen van een heuvel, het lopen over een brug, het
gaan door een tunnel.
Directe methode: de brugmethode
Hoewel veel reïncarnatie- en regressietherapeuten met
één of meer van de genoemde inductie-methoden werken en daar ook naar
verluidt goede of bevredigende resultaten mee boeken, geven veruit de
meeste van bij de NVRT aangesloten therapeuten de voorkeur aan wat de
brugmethode genoemd wordt. Deze methode heeft als belangrijkste kenmerken
dat trance-opwekking vooraf achterwege blijft en dat het probleem met
al zijn verbale en non-verbale signalen als bruggenhoofd wordt genomen
om vanuit het heden de brug te slaan naar het verleden.
Uitgangspunt van de brugmethode is dat problemen de
symptomen zijn van onverwerkte ervaringen uit het verleden. De aanwezigheid
van dergelijke symptomen duidt erop dat de mens in kwestie reeds verbonden
is met die ervaring. De bekende Amerikaanse reïncarnatietherapeut Morris
Netherton merkte dan ook terecht op: het is geen probleem iemand naar
het onverwerkte verleden terug te brengen, want men zit er al midden in!
Het probleem is de persoon in kwestie juist uit die onverwerkte ervaring
te halen.
Voordelen van het gebruik van de bruggen
Bovenstaande maakt reeds duidelijk dat elke vorm van
ontspanning vooraf volstrekt overbodig is. Als het gaat om het opsporen
van de bron van een bepaald probleem dat zich symptomatisch manifesteert
in mentale, emotionele en/of lichamelijke spanningen, dan is het veel
efficiënter, doelgerichter zelfs, die spanning te gebruiken! En dat is
precies wat bij de brugmethode gebeurt.
Behalve efficiency heeft de methode nog andere grote
voordelen. Bij het gebruik van de brugmethode wordt het gevaar vermeden
dat de cliënt voor het oplossen van zijn problemen de verantwoordelijkheid
geheel in handen van de therapeut legt. Hoewel het ongetwijfeld waar is
dat de concentratie die trance tot stand brengt iets is wat je wel of
niet jezelf toestaat, verwachten toch nog te veel mensen dat de therapeut
hen wel even diep in trance zal brengen om daarna het probleem op te lossen.
De brugmethode sluit een dergelijke houding volledig uit omdat een groot
beroep wordt gedaan op de zelfwerkzaamheid en eigen verantwoordelijkheid
van de cliënt. Hetgeen volledig aansluit bij de reïncarnatiegedachte,
waarin er ook vanuit wordt gegaan dat de mens uiteindelijk zelf verantwoordelijk
is voor wat er in zijn leven gebeurt.
Een derde voordeel ligt in het verlengde van het bovenstaande:
de trance komt op een zeer natuurlijke manier tot stand, namelijk als
gevolg van het meer en meer verdiept raken in de eerste indrukken, die
opkomen als gevolg van de confrontatie met de eigen problemen in het hier
en nu. Dit voorkomt tegelijk een onnodig diepe trance als basis-niveau,
wat bij een op het verkrijgen van inzicht gerichte therapie grote voordelen
heeft.
Eerder stelden we immers reeds dat de trance-diepte,
welke herbeleving van het verleden mogelijk maakt, het bewustzijn zo over
het verleden en heden verdeelt dat een eigenaardig soort gespletenheid
ontstaat. Juist dit zogenaamde elliptische bewustzijn stelt de cliënt
in staat zelf de verbanden tussen heden en verleden duidelijk te krijgen.
Ook maakten we reeds duidelijk dat bij deze methode
van elk symptoom gebruik gemaakt kan worden: mentaal (verstandelijk),
emotioneel (gevoelsmatig) zowel als lichamelijk. Hoewel met één van de
drie signalen begonnen wordt, is het steeds de bedoeling de drie elementen
bij elkaar te brengen, vandaar dat we ook wel spreken van de MEL-brugmethode
(Mentaal, Emotioneel, Lichamelijk).
Op het mentale niveau zijn drie ingangen mogelijk: via
woorden, via klanken en via voorstellingen.
De verbale ingang is vooral bekend geworden door het
werk van Morris Netherton. Het principe van de verbale ingang is zo simpel
dat veel cliënten het nauwelijks kunnen geloven tot ze het zelf ervaren.
Tijdens het specificeren van het probleem in het voorgesprek selecteert
de therapeut een aantal kernzinnen, uitspraken over het probleem, die
wijzen op ladingen en/of die beeldend van karakter zijn. Deze kernzinnen
kunnen beschouwd worden als de verbale vertalingen van postulaten: ingegrifte
ervaringen en opvattingen, afspraken die de cliënt met zichzelf gemaakt
heeft, vaak met een voorspellend karakter, hardnekkige houdingen etc.
Postulaten zijn als het ware strategische programmeringen die we maar
heel moeilijk kunnen veranderen. Vaak heeft iemand een reeks van verbale
variaties om hetzelfde probleem mee aan te duiden. Een voorbeeld:
- ik heb het gevoel dat ik op slot zit;
- ik voel me gevangen;
- ik voel me onvrij;
- het is net alsof er een deur achter me dichtgevallen is;
- ik kom er niet meer uit;
- ik weet geen uitweg meer.
Door dergelijke zinnen een aantal keren te herhalen
wordt de emotionele en/of lichamelijke spanning ervan opgeroepen. Als
die gevoelens goed loskomen (waarbij de therapeut verdere ondersteuning
kan geven door in zijn stem de opkomende emoties te laten doorklinken
en eventueel door het aanraken van het lichaam op de plaatsen waar de
ladingen manifest worden), vraagt de therapeut de cliënt naar de situatie
te gaan waar hij de gevoelens voor het eerst zo sterk ervaart en waarin
de zin, die de gevoelens opgeroepen heeft, letterlijk waar is.
Veel cliënten komen op die manier onmiddellijk in een
concrete situatie, in dit leven, in de baarmoeder, in een vorm van tussenbestaan
of in een vorig leven. Ondanks de instructie terug te gaan naar de bron
(de eerste maal dat die gevoelens en gedachten ervaren werden) komen cliënten
toch vaak eerst in een recentere situatie terecht. Deze moet dan eerst
helemaal doorgewerkt worden voor er verder gegaan kan worden met het opsporen
van de bron-ervaring. Bij het behandelen van een aantal therapeutische
aspecten komen we hierop nog terug.
Een tweede mentale ingang is die met behulp van een
duidelijke voorstelling. De meeste cliënten tasten in het duister ten
aanzien van het ontstaan van hun probleem. Daar willen ze met behulp van
de therapie juist achter komen. Wat ze echter meestal wel weten is wanneer
ze het probleem voor het laatst concreet ervaren hebben. Door daarnaar
te vragen wordt contact gemaakt met de emotionele en lichamelijke gevoelens
die deel uitmaken van het probleem. Andere beelden waarvan gebruik gemaakt
kan worden zijn sterke jeugdherinneringen, dromen en visioenen.
Een derde mentale ingang wordt de auditieve genoemd.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van geluiden, klanken, intonaties van stemmen.
Nabootsing en/of concentratie op deze geluiden, etc. kan er weer voor
zorgen dat allerlei gevoelens, gedachten en/of visuele indrukken omhoog
komen.
Indien nodig kan zowel bij de visuele als de auditieve
ingang gelijktijdig van de verbale ingang gebruik gemaakt worden om de
gevoelens sterker naar voren te halen.
Emotionele en lichamelijke ingangen
Cliënten zijn zich vaak reeds bewust van emotionele gevoelens.
In veel gevallen is een emotie nu juist het probleem. In dat geval wordt
die emotie als ingang genomen en worden vervolgens de samenhangende fysieke
en mentale aspecten erbij gezocht.
Andere cliënten ervaren hun probleem in de eerste plaats
fysiek. Dan begint de inductie met concentratie op het lichamelijke symptoom,
waarna de samenhangende gedachten (en eventueel klanken en beelden) en
emotionele gevoelens er weer bij gezocht worden.
De eerste indrukken
Het is mogelijk dat na het toepassen van de brug je eerste
indrukken nog wat vaag zijn, maar als je wel duidelijke impressies hebt,
zul je je waarschijnlijk toch een moment afvragen of je aan het fantaseren
bent of waar je dit verhaal eerder gehoord, gezien of gelezen hebt. De
therapeut stelt je wat het fantaseren betreft gerust: de eerste indrukken
vertellen altijd iets over het probleem waaraan gewerkt wordt en dat maakt
ze van therapeutische betekenis.
Om er voor te zorgen dat de indrukken zo concreet mogelijk
worden geeft de therapeut je allerlei instructies, waarbij steeds weer
de drie niveaus van ervaren bij elkaar gebracht worden:
- M: Mentale indrukken: beelden, gedachten en gehoorsindrukken.
- E: Emotionele indrukken: de stemming waarin je verkeert.
- L: Lichamelijke indrukken: lichaamsgevoelens en lichaamshouding
op dat moment.
De therapeut verankert je op deze manier zo goed mogelijk
in de opgekomen ervaring. Hij neemt het MEL-element dat het sterkst aanwezig
is en verbindt dat taalvaardig met de ontbrekende elementen:
M: Terwijl de eerste indrukken opkomen word je
je er van bewust welke woorden door je heen gaan. Terwijl je dat ervaart
word je je bewust van wat er om je heen gezegd of gedaan wordt. Terwijl
je begint te beleven wat er aan de hand is word je je bewust wie je bent,
man of vrouw, jong of oud.
E: Terwijl die woorden door je heen gaan, ervaar
je meteen ook in welke stemming je bent. Terwijl je die mannen op je af
ziet komen, merk je hoe je emotioneel reageert. Terwijl je het water raakt,
voel je de emotie opkomen.
L: Terwijl die woorden door je heen gaan en je
emotioneel maken, merk je ook hoe je lichaam reageert. Terwijl je in die
stemming komt, ervaar je meteen ook je lichaam. Terwijl het gevaar op
je afkomt voel je hoe je lichaam reageert.
Verankeren
Is de MEL-inductie scherp en krachtig genoeg aangezet,
dan is verankeren meestal niet of nauwelijks nodig. Het kan dan zelfs
beter achterwege blijven, omdat het iemand juist uit de ervaring zou halen.
Als de MEL nog vrij zwak is of in de angst voor de situatie afzwakt, dan
is dit verankeren echter juist zeer belangrijk. Anders kunnen in het verloop
van de sessie allerlei storingen optreden.
Veel mensen hebben overigens een verkeerd idee van de
indrukken die ze zouden moeten krijgen. Ze gaan er vanuit dat, wil de
therapie effectief zijn, ze zich weer helemaal terug moeten ervaren in
de situatie van toen en dat de beelden die ze krijgen van hun omgeving
en van zichzelf heel scherp moeten zijn. Het is waar dat een dergelijke
manier van herbeleven vaak het meest bevredigend is, maar met de effectiviteit
van de therapie heeft het weinig van doen. We hebben reeds opgemerkt dat
ieder mens een eigen manier heeft om informatie te verwerken en ook weer
te reproduceren. Bij sommigen is dat in de eerste plaats visueel, bij
anderen gaat dat vooral via het gehoor. Bij weer anderen is het vooral
een kwestie van voelend weten of van een soort interne dialoog. Beelden
ontbreken nagenoeg geheel, maar men voelt en/of weet precies wat er gebeurt.
Ook zijn er mensen die in staat zijn al die systemen in een bepaalde volgorde
te combineren.
Als cliënt en therapeut open staan voor meerdere vormen
van herbeleven, dan kunnen al deze vormen therapeutisch effectief zijn.
Bovendien kan, zoals we ook reeds eerder stelden, het ontbreken van bepaalde
zintuiglijke indrukken juist te maken hebben met onverwerkte ervaringen
uit het verleden. Wie in een donkere ruimte is, blind is, een blinddoek
voor heeft of in een zeer angstige situatie niet durft te kijken, zal
van de ervaring waarom het gaat moeilijk een visuele indruk kunnen krijgen.
Als in zo'n situatie grote angst ervaren is kan het visuele (representatie)systeem
zelfs totaal geblokkeerd zijn geraakt.
Het opsporen en begeleiden van het onverwerkte
Als de eerste indrukken eenmaal concreet (concreet op
jòuw manier) zijn gemaakt, wordt vervolgens gezocht naar wat precies onverwerkt
is gebleven en daardoor in het heden als probleem nawerkt. De begeleiding
naar het zoeken van dergelijke ervaringsmomenten verschilt per ervaring.
Het maakt namelijk nogal verschil of je probleem een
felle angst voor een specifiek iets is of juist een lamlendig gevoel van
depressiviteit. Of je je leven lang te maken hebt met zich steeds maar
weer herhalende patronen, zoals het telkens mislukken van intieme relaties,
of dat je last hebt van vage, steeds verspringende lichamelijke klachten.
In het begeleiden van die verschillende vormen van nawerking
zitten evenwel ook gemeenschappelijke elementen. Je zult bijvoorbeeld
merken dat de therapeut met behulp van zijn stem en vraagstelling probeert
je de onverwerkte ervaringen zo sterk mogelijk te laten herbeleven. Daarbij
wordt geprobeerd de drie niveaus van ervaren (M, E en L) steeds weer bij
elkaar te brengen.
Hij laat je de schrikreactie van het verdrinken weer
echt voelen, het moment dat je je adem inhoudt, de instinctieve dissociatie
van bewustzijn, de aanmaak van adrenaline die je lichaam de impuls geeft
het gevaar van het verdrinken te ontvluchten of te bevechten. Hij maakt
je ook bewust van het feit dat je door de optredende dissociatie onbewust
allerlei omgevingsinvloeden verinnerlijkt: bijvoorbeeld de kou en/of de
diepte van het water, de hoogte van de golven. Zouden andere mensen met
je in hetzelfde schuitje zitten (of beter gezegd daarbuiten gevallen zijn)
dan wordt ook aandacht besteed aan de schrikreacties van de mensen die
met je in het water zijn beland. Hij laat je ook alle gedachten herhalen
die door je heengaan terwijl je de verdrinkingsdood probeert te ontlopen,
evenals alle emotionele en lichamelijke reacties. Op die manier kun je
het onverwerkte eindelijk verwerken.
Hij laat je ook altijd de dood van een vorig leven beleven,
dit om zich ervan te vergewissen of je het afgelopen leven nu wel kunt
accepteren. Als het laatste moeilijk blijft zal hij je net zolang verder
begeleiden tot hij ervan overtuigd is dat je de ervaringen waarom het
gaat definitief geaccepteerd en geïntegreerd hebt.
Als dat inderdaad het geval is, als de desintegratie
binnen de ziel als gevolg van de onverwerkte ervaring(en) eindelijk is
opgeheven, dan maakt de ziel zich definitief los van de persoonlijkheid
van het vorig leven en kan definitieve integratie plaatsvinden.
Het beleven van een dergelijke integratie is vaak een
zeer ontroerende ervaring die je verdere leven in positieve zin zal beïnvloeden.
Vaak blijkt dat een dergelijke integratie pas mogelijk is na een reeks
van herbelevingen. Wat wel aan het eind van elke sessie plaatsvindt is
het helder en inzichtelijk maken van de relatie tussen de herbeleefde
ervaringen en de nawerkingen c.q. problemen in het nu. De inzichten die
zo ontstaan dragen eveneens bij aan het verbeteren van de kwaliteit van
leven.
Onverwerkte ervaringen
Bij reïncarnatietherapie heb je een therapeutisch doel.
Dat klinkt als een open deur, maar gezien het wijdverbreide 'reïncarnatietoerisme',
waarbij verkenning van wie wat, waar en wanneer is geweest (dus het verhaal)
overheerst, is het nog eens benadrukken van het therapeutisch doel belangrijk.
Eerder hebben we reeds gesteld dat het doel probleemoplossing sec kan
zijn, maar ook probleemoplossing als onderdeel van het neutraliseren van
thema's, het herstel van verbroken verbindingen met belangrijke levensterreinen
en het versterken van de natuurlijke levensenergie. We hebben ook reeds
opgemerkt dat holografische reïncarnatietherapie specifiek gericht is
op het verwezenlijken van de laatste drie doelen. Om die te bereiken dient
de cliënt inzicht te krijgen in de onderliggende thematiek van een probleem,
in het bijzonder de overtuigingen (postulaten) die de thematiek in stand
houden. Om tot dat inzicht te komen dient vaak een reeks van onverwerkte
ervaringen doorgewerkt te worden.
Als je de beperkte literatuur over reïncarnatie- en
regressietherapie erop na leest dan zou je overigens de indruk kunnen
krijgen dat alle onverwerkte ervaringen dezelfde kenmerken hebben. In
de Angelsaksische literatuur bijvoorbeeld wordt uitsluitend gesproken
over 'trauma's'. Trauma's kunnen echter aan de hand van verschillende
polariteiten van elkaar onderscheiden worden. Andere verschillen hebben
te maken met het gebied waarin de trauma's zijn ontstaan.
De eerste van die polariteiten is die van slachtoffer
en dader. Veel mensen kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat behalve
het slachtoffer ook de dader getraumatiseerd kan raken. Nog afgezien van
het feit dat de dader vaak reeds door eerdere slachtofferervaringen, bijvoorbeeld
in de jeugd, getraumatiseerd is geraakt, ontstaat bij de dader uiteindelijk
een schrikreactie op grond van de realisatie van wat hij verkeerd gedaan
heeft. Dat leidt dan vervolgens tot zelfveroordeling en daarmee desintegratie
van de betreffende ervaring of zelfs het hele leven. Die zelfveroordeling
kan tijdens het leven, het sterven of zelfs na het sterven, in het tussenbestaan,
gestalte krijgen. Zoals verderop nog zal blijken speelt het herbeleven
van eigen daderervaringen een essentiële rol bij het werken met de belangrijkste
levensthema's.
Een tweede polariteit die van belang is voor het onderscheiden
van trauma's is die met de polen incidenteel en chronisch. Bij incidentele
traumatisering gaat het om een eenmalige of hooguit zeer beperkt aantal
keren optredende ervaring. Bij chronische traumatisering om een langdurige
periode (of voortdurende herhaling) van gevaar. Het verschil in de nawerking
(de symptomen) zit hem vooral in het feit dat incidentele traumatisering
vaak een fellere, herkenbaarder nawerking geeft zoals bijvoorbeeld angstaanvallen.
Bij chronische traumatisering heeft de cliënt vaak te maken met nawerkende
symptomen als vermoeidheid, depressiviteit en soms ook een gefragmenteerd
bewustzijn (door de herhaling is het bewustzijn blijven dissociëren).
De vier hoofdtypen trauma's (slachtoffers en daders,
en beide zowel incidenteel als chronisch) krijgen nog meer specifieke
kenmerken door het gebied waarin ze zich manifesteren. In de eerste plaats
speelt hier het verschil tussen persoonlijk en prepersoonlijke ervaringen
of met andere woorden tussen ervaringen die in dit leven spelen en ervaringen
die in vorige levens (lijken te) hebben plaatsgevonden.
Binnen het persoonlijke wordt dan weer een onderscheid
gemaakt tussen pre-autonome ervaringen (conceptie, prenatale periode en
geboorte) en ervaringen in de autonome fase (na de geboorte). Bij de prepersoonlijke
ervaringen is een belangrijk onderscheid dat tussen belichaamde en onbelichaamde
ervaringen (tussenbestaan).
Een ervaren holografische reïncarnatietherapeut kan
met al deze verschillende traumakenmerken werken.
Aan het eind van een sessie
Het afronden van de herbeleving van onverwerkte ervaringen
wordt sterk bepaald door in welk herbelevingsgebied is gewerkt. Bij een
vorig leven wordt in principe altijd met het sterven gewerkt om daarna
in het tussenbestaan zoveel mogelijk tot integratie te komen van de voorheen
onverwerkte ervaringen.
Begint de herbeleving in het huidige leven dan zal de
integratie anders verlopen en wordt vooral gewerkt met het integreren
van gedissocieerde en afgesplitste bewustzijnsdelen, zoals bijvoorbeeld
(innerlijke) kindsdelen.
In beide gevallen controleert de therapeut in hoeverre
de herbeleefde ervaringen werkelijk verwerkt zijn en of de symptomatische
nawerking (het probleem of de klacht) verminderd of zelfs verdwenen is.
Hij doet dit steeds weer op de vier niveaus (MELS): hij vraagt je of je
de angst nog steeds voelt (E), of de lichamelijke gevoelens die optraden
tijdens de herbeleving er nog steeds zijn (L) en nogmaals de zin: Help!
Ik verdrink! een aantal malen te herhalen (M). Indien relevant vraagt
hij je of je de zin en betekenis van de herbeleefde ervaringen begrijpt
in het licht van het eerder ontdekte thema (S).
Als blijkt dat je nog steeds last hebt van gevoelens
en beperkende overtuigingen, m.a.w. als blijkt dat de ervaring uit het
vorig leven nog steeds niet helemaal verwerkt is, wil hij je in de eerste
plaats nog eens laten inzien dat wat in het verleden wellicht logisch
of begrijpelijk was inmiddels reeds lang achterhaald is. Dat de woeste
bergstroom, waarin je toen gevallen en verdronken bent, iets heel anders
is dan een zwembad, een glad meer of een kalme zee waar je in je huidige
leven eigenlijk graag in wilt zwemmen. Dat als je alsnog zwemles neemt
van een goede instructeur je angst om te verdrinken definitief kan verdwijnen
en plaats kan maken voor het plezier dat zwemmen geeft. Mochten de beperkende
gedachten en gevoelens over water daarentegen een zekere hardnekkigheid
tonen dan wordt in volgende sessies via de brugmethode teruggekeerd naar
wat nog steeds onverwerkt is.
Lijken alle beperkingen verdwenen en heb je het gevoel
echt bevrijd te zijn van je herbeleefde angst, dan zal de therapeut je
ter laatste controle waarschijnlijk een toekomstverkenning laten doen.
Hij vraagt je in zo'n geval naar een denkbeeldige situatie in de toekomst
te gaan, waarin je bijvoorbeeld in een zwembad het water instapt. Hij
let dan scherp op hoe je reageert. Als hij nog iets van de oude angst
ziet, maakt hij een aantekening om in een volgende sessie door te gaan
met het opsporen van de bronnen van de angst (voor water). Vaak blijkt
dat een klacht of probleem de nawerking is van meerdere onverwerkte ervaringen.
Voor de totale verwerking van een probleem, zeker in het licht van het
onderliggende thema, zijn dan ook meestal een reeks van sessies nodig.
Dat is zeker het geval als duidelijk is geworden dat
de angst voor water een symptoom is voor een dieper gewortelde angst,
namelijk de reeds eerder opgemerkte thematische angst om controle te verliezen.
Meestal is de therapeut er dan reeds achtergekomen dat je op tal van momenten
in je leven en in tal van situaties bang bent de controle te verliezen.
Als dat zo is, is er meer werk aan de winkel. Je moet rekening houden
met een langduriger therapie. Het is dan vrijwel zeker noodzakelijk één
of meer 'polaire ervaringen' onder ogen te zien. In het geval van angst
voor controleverlies zou het daarbij wel eens kunnen gaan om ervaringen
waarin je over macht, rijkdom, schoonheid, lichamelijk kracht, en/of charisma,
etc. beschikte, maar de controle over het zorgvuldig gebruik ervan verloren
hebt. M.a.w.: je hebt jezelf afgewezen op hoe je met die macht, geld,
schoonheid, etc. bent omgegaan. De confrontatie met dergelijke 'schaduwkanten'
van de persoonlijkheid valt velen zwaar. Het maar moeilijk kunnen accepteren
van die schaduwkanten betekent echter dat ze juist in toenemende mate
om aandacht vragen. Het zijn deze zwarte bladzijden in het verhaal van
je eigen reïncarnatiegeschiedenis die de bron vormen van veel problemen.
Integreren en afronden
In de afronding van een sessie is het vooral belangrijk
dat de therapeut terugkeert naar het beginpunt en ten aanzien van alle
ladingen (MELS) die tijdens de sessie naar boven zijn gekomen nog eens
controleert of ze inderdaad verdwenen zijn.
Daarbij is het essentieel dat gecontroleerd wordt of
alle irrationele overtuigingen, de postulaten, wel ontkracht zijn. Veel
reïncarnatietherapeuten gebruiken daarbij methoden die ontleend zijn aan
Rationeel-Emotieve Therapie (RET), Provocerende Therapie en aan Milton
Erickson en zijn navolgers. De cliënt kan zo bewust gemaakt worden van
het feit dat wat toen gold of waar was, nu echt voorbij is, vaak zelfs
onzin is.
Tenslotte kan een toekomstverkenning nog eens extra
duidelijk maken hoe het er aan het eind van de sessie met het probleem
voorstaat. Uiteindelijk zal echter de praktijk van het leven definitief
uitsluitsel moeten geven of het probleem verdwenen is of niet.
Acceptatie van de totaliteit van ervaringen is voorwaarde
wil een echte integratie kunnen plaatsvinden. Acceptatie van alle verschillende
ervaringen en rollen, die in het onbewuste liggen opgeslagen. Mensen die
hun eigen totaliteit, mede uitgedrukt in hun omgevingen, kunnen accepteren,
kunnen op termijn een louterende bevrijding ervaren die veel levensenergie
en uiteindelijk levensgeluk (terug) brengt.
Het vervolg van de therapie
In de eerstvolgende sessie geeft de therapeut in het
algemeen opnieuw een open inductie: hij laat open in welk herbelevingsgebied
de therapie wordt voortgezet. Vaak gaat hij nog enige sessies door met
dat openlaten van in welk gebied herbeleefd wordt. Als hij de indruk heeft
dat voldoende dezelfde type onverwerkte ervaringen (bijvoorbeeld slachtofferervaringen
in vorige levens) zijn doorgewerkt, stuurt hij in een volgende sessie
wel naar een bepaalde rol en herbelevingsgebied. Dat sturen kan in het
geval van het voorbeeld van slachtofferervaringen in vorige levens twee
kanten opgaan: hij stuurt aan op het herbeleven van de polariteit slachtoffer-dader
door de cliënt in contact te brengen met eigen daderervaringen. Eerder
is reeds opgemerkt dat het herbeleven van daderervaringen voorwaarde is
voor het neutraliseren van onderliggende thema's. De therapeut past in
het algemeen echter wel op niet te vroeg aan te sturen op het herbeleven
van dergelijke trauma's omdat veel cliënten er lang over doen om dergelijke
herbelevingen toe te laten.
Vaker stuurt de therapeut dan ook eerst aan op het herbeleven
van de actualiseringen van de thematiek vanaf de conceptie in dit leven.
Daar worden vaak meerdere sessies aangewijd.
Begint de therapie in het huidige leven (voor of na
de geboorte) dan stuurt de therapeut na verloop van tijd aan op het herbeleven
van vorige levens, in het algemeen eerst in de rol van slachtoffer. Als
een cliënt zichzelf in een groot aantal slachtofferlevens heeft ervaren
komt hij zelf vaak met de verzuchting hoe het toch mogelijk is dat hij
zich steeds maar weer als slachtoffer ervaart met dezelfde thematiek.
Dat is vaak het uitgelezen moment het tegendeel van die rol te verkennen.
Toch kan het soms lang duren voor een cliënt bereid is de meer schaduwrijke
kanten van zijn ziel te verkennen.
Actualiseringen van het onverwerkte
Herbeleving van ervaringen die in vorige levens onverwerkt
zijn gebleven kunnen een probleem laten verdwijnen, maar vaker dienen
ook andere ervaringen doorgewerkt te worden, bijvoorbeeld actualiseringen
in het persoonlijke herbelevingsgebied.
Netherton gaat er zelfs vanuit dat elke onverwerkte
ervaring uit een vorig leven als actualisering terug te vinden is in de
prenatale en/of geboorte-ervaring. Wij onderscheiden net als hij de volgende
belangrijke actualisering-gevoelige momenten: de conceptie, het moment
dat de moeder vermoedt dat ze zwanger is, het moment dat ze dat zeker
weet, het moment dat ze het haar omgeving vertelt, het moment van indalen,
de eerste weeën, de geboorte zelf, de eerste opvang na de geboorte en
verder allerlei negatieve en/of complicerende ervaringen: een poging tot
abortus, een eerdere miskraam, een ongeluk van de moeder, onplezierige
seks tijdens de zwangerschap, ruzie tussen de a.s. ouders, idem met hun
omgeving, allerlei geboorte-complicaties, operaties, verblijf in de couveuse
etc.
Bij het werken in de prenatale en perinatale gebieden
worden verschillende methoden gebruikt. Een veel toegepaste manier van
werken is het gescheiden doorwerken van de MEL-ervaringen van de moeder
(en via haar van de omgeving) en de meer lichamelijke ervaringen van het
kind. Het kan nodig zijn een aantal sessies aan de periode in de baarmoeder
en de geboorte te wijden, zeker wanneer de zwangerschap en/of geboorte
complicaties met zich mee hebben gebracht.
Natuurlijk kunnen ook op latere leeftijd actualiseringen
optreden: bijvoorbeeld de eerste confrontatie met de dood (van een ouder,
grootouder, kind in de klas, etc.), met vuur, met geweld, met (ongewenste)
seksualiteit, een ernstig ongeluk, in de steek gelaten worden, etc. Ook
het herbeleven van dergelijke ervaringen kan weer meerdere sessies in
beslag nemen.
Sommige cliënten kunnen zonder moeite actualiseringen
herbeleven, maar blokkeren bij het teruggaan naar de bronnen ervan in
vorige levens. Anderen komen juist makkelijk bij onverwerkte ervaringen
uit vorige levens, maar durven de confrontatie met actualiserende gebeurtenissen
in dit leven nauwelijks aan. Uitgangspunt bij de therapie is echter beide
soorten ervaringen opnieuw te beleven en definitief te verwerken.
Daderervaringen
Hoewel veel cliënten in de loop van het therapeutisch
proces beginnen te begrijpen dat tegenover de vele slachtofferervaringen
binnen de eigen zielsenergie ook eigen daderervaringen staan, kunnen ze
de aanwezigheid van een dergelijke polariteit in zichzelf toch maar moeilijk
accepteren. Dat heeft veel te maken met hun religieuze en/of ideologische
opvoeding en met maatschappelijke invloeden die in deze eerder polariserend
dan depolariserend werken. In onze maatschappij wordt het goede gezocht
en geprezen en het kwade afgewezen en veroordeeld. Vaak gebeurt dit polariseren
echter subtieler, zoals het geval is bij de polen rust en actie. Beiden
polen zijn even belangrijk voor het functioneren van de persoonlijkheid,
maar actie wordt maatschappelijke en opvoedkundig veel meer geprezen en
beloond dan rust.
Het werken met daderervaringen is in verband met die
algemeen menselijke neiging tot polariseren extra zwaar. Het toegang krijgen
tot het dadertrauma vraagt vaak reeds veel moed en wijsheid van zowel
cliënt als therapeut. Bij het werken met de gevoelsladingen van dadertrauma's
treden regelmatig zware storingen op die soms zeer lastig te verhelpen
zijn.
Het uiteindelijk accepteren van slachtoffer en dader
in jezelf levert echter een prachtige beloning op: een werkelijke bevrijding
uit de gevangenschap van desintegratie en polarisering. Acceptatie van
beide polen in jezelf zorgt voor het herstel van de verbindingen met belangrijke
levensterreinen, met als uiteindelijk resultaat een versterking van levensenergie
en levensgeluk.
Faalangst en andere blokkades
Eerste herbelevingen, maar ook latere kunnen nogal eens
gestoord worden door wat vaak blokkades worden genoemd.
Het kan zijn dat je reeds bij het oproepen van de eerste
indrukken, het idee krijgt dat er niks zal komen. Je ziet niks, voelt
niks, hoort niks, meent zelfs niks te denken. Een holografische reïncarnatietherapeut
beschikt over verschillende interventie-technieken om hiermee om te gaan.
De allerbelangrijkste daarvan is de wetenschap dat het verwoorden van
het gevoel te blokkeren tevens het verwoorden is van een aspect van een
onverwerkt gebleven ervaring. In het genoemde voorbeeld laat de therapeut
je bijvoorbeeld herhalen: Ik zie niks.
Hij instrueert je vervolgens die korte zin een plaats
te geven binnen de dan nog onbewuste ervaring, met andere woorden: de
gedachte "Ik zie niks" was er ook tijdens de ervaring die zich
juist door die woorden nu in de therapie aandient. Het niets kunnen zien
blijkt dan te maken te hebben met schrik: dit wil ik niet zien!, met blindheid,
met geblinddoekt zijn, met een stikdonkere nacht, met de donkere diepte
van de zee, enz. Voor de andere zintuigen geldt hetzelfde.
Therapeutische interventies
Mensen kunnen op alle mogelijke manieren storingen ervaren
tijdens een sessie. Als dat reeds gebeurt bij het induceren van de eerste
indrukken is het belangrijk de gevoelens rond en uitspraken over die storingen
als ingang te nemen. We spreken in zo'n geval van recursieve gevoelens
en postulaten. Met recursief wordt bedoeld: zich tegen de therapie of
zelfs therapeut kerende gevoelens en gedachten. Vaak blijken die gevoelens
en zinnen juist de beste ingang te geven tot een geslaagde sessie. Dit
heeft te maken met het feit dat recursieve postulaten en gevoelens meestal
deel uitmaken van de onverwerkte ervaringen, waar de therapeut juist op
zoek naar is.
Het stokken van de herbeleving
Ook tijdens de herbeleving kunnen echter allerlei storingen
optreden. Vaak hebben problemen als bijkleuren vanuit het heden (de huidige
persoonlijkheid projecteert aspecten van het huidige leven in het vorige
leven), eruit raken en/of zeer vage, onduidelijke indrukken te maken met
slechte verankering. Wanneer dat gebeurt is het dus zaak die verankering
te controleren, met andere woorden: nagegaan moet worden of de MEL van
die situatie nog wel sterk genoeg is.
Is dat wel het geval, maar stokt de herbeleving desondanks,
dan wordt de storing doorgelicht met behulp van verschillende interventie-technieken.
Dan kan blijken dat een belangrijke situatie is overgeslagen. Die wordt
dan eerst doorgenomen om vervolgens verder te gaan.
Ook kan het zijn dat het vertrouwen in de therapeut
verstevigd moet worden, bijvoorbeeld omdat het om zeer intieme of schaamtevolle
ervaringen gaat. De therapeut maakt dan duidelijk dat hij geen voyeur
is en dat de cliënt de situatie in stilte kan beleven, zonder de details
van de situatie te hoeven openbaren. Later kan dan altijd nog bekeken
worden of het therapeutisch nodig is dergelijke details alsnog uit te
spreken. Dit kan het geval zijn als chronische schaamtegevoelens het probleem
vormen.
Te snel willen gaan
Storingen kunnen behalve met het stokken van de herbeleving
ook met het tegendeel te maken hebben. Bij haastige of nogal intellectueel
ingestelde mensen kun je het tegenovergestelde tegenkomen, namelijk rush:
het afratelen van de ene beleving na de andere, zonder echt in de gevoelens
te gaan. Het is net een film die te snel wordt afgedraaid. Ook al omdat
iemand met rush meestal moeite heeft met luisteren, raakt de therapeut
(en uiteindelijk ook de cliënt) in zo'n geval vaak snel het spoor en het
overzicht kwijt. De remedie hiertegen is het geven van suggesties de film
te stoppen, de situatie die dan blijft tot een foto te verstillen en deze
vervolgens nauwkeurig te beschrijven. Door een desnoods onbenullig detail
tot in de finesses te laten uitwerken kan de haast onder controle worden
gebracht. Wanneer rush plotseling optreedt in een verder goed lopende
sessie betekent het meestal dat de cliënt snel door een bedreigende situatie
heen wil gaan.
De ladingen vasthouden
Een andere storing die kan optreden is stress. Hieronder
verstaan we het met blijvende of zelfs sterkere symptomen uit de herbeleving
van een emotionele situatie komen. Stress is vaak herkenbaar aan lichamelijke
reacties als zweten, hartkloppingen, kou, hoofdpijn of onrustige bewegingen,
die zich ook na het herbeleven van de belastende situatie blijven voordoen
of juist dan beginnen op te treden. Stress kan meestal opgeheven worden
door op rustige wijze een aantal malen door de ervaring heen te gaan.
Vragen die nog waren blijven liggen
We gaan er vanuit dat de therapie succes heeft gehad.
Je voelt je dan werkelijk bevrijd van je watervrees en kunt onbekommerd
(leren) zwemmen. Of wanneer het probleem toch omvattender is gebleken,
heb je je kunnen ontdoen van je angst om controle te verliezen, waardoor
je veel steviger en gelukkiger in het leven staat, vooral dankzij een
betere verbinding met jezelf en de wereld om je heen. Je verzucht dan
misschien wel, zoals anderen voor je hebben gedaan: dat je verleden je
zo in de weg kan zitten!
Maar wellicht had je toch nog een paar vragen, die we
overgeslagen of misschien onvolledig hebben beantwoord. Tenzij je inderdaad
watervrees hebt of in meer algemene zin angst om controle te verliezen,
wil je nu waarschijnlijk graag weten of jij met jouw specifieke probleem
of klacht baat kan hebben bij reïncarnatietherapie. En met of zonder watervrees
wil je in ieder geval weten hoe lang een sessie en de gehele therapie
gemiddeld duurt en hoeveel de kosten bedragen.
(Tot zover de beschrijving van het verloop van een sessie
reïncarnatietherapie)

Grenzen van de therapeut
Omdat we alle chronische problemen en kwalen van mensen
beschouwen als de uiteindelijke nawerking (neerslag) van onverwerkte ervaringen
in het verleden, is het onze overtuiging dat elk probleem, elke kwaal,
elke ziekte met een zekere langdurigheid geschikt is om met reïncarnatietherapie
behandeld te worden. Daar voegen we echter onmiddellijk aan toe: mits
degene die de begeleiding doet geschikt is om met die persoon en/of dat
probleem te werken. Met andere woorden: of reïncarnatietherapie tot probleemoplossing
leidt heeft o.i. in de eerste plaats te maken met de instelling en kwaliteiten
van de therapeut en pas in de tweede plaats met de cliënt en zijn problemen.
Elke therapeut komt op een zeker moment de grenzen van
zijn kennis, inzicht, intuïtie en vaardigheden tegen. De één kan met
bepaalde methoden of technieken minder goed uit de voeten, terwijl een
bepaalde cliënt daar juist mee geholpen zou zijn. De ander heeft moeite
met bepaalde problemen, bijvoorbeeld kanker, suïcidaal gedrag, zware depressiviteit
of met mensen met een bepaalde persoonlijkheidsstructuur, met mensen die
een grote mate van zelfgenoegzaamheid tonen of een sterke hang naar spirituele
ervaringen hebben.
Grenzen van de cliënt
Ondanks het bovenstaande hebben ook wij vastgesteld dat
er cliënten zijn die er in slagen de grenzen van flexibiliteit en kwaliteit
van de meeste therapeuten te overschrijden en het ontstaan van een in
een therapeutische relatie zo noodzakelijke vertrouwensband maar zeer
moeilijk toestaan.
Zo komen veel reïncarnatietherapeuten aan de grenzen
van hun therapeutische mogelijkheden bij cliënten die onvoldoende geïnteresseerd
zijn in inzicht, in waar hun probleem vandaan komt.
Het heeft bij mensen die nauwelijks geïnteresseerd zijn
in inzicht, die patiënt willen blijven of daar juist een hevige afkeer
van hebben, weinig zin onmiddellijk op herbeleving van onverwerkte ervaringen
aan te sturen. Voor reïncarnatietherapie aan de orde is, moet eerst het
verdedigingsmechanisme zichtbaar gemaakt worden. Is zo'n mechanisme eenmaal
herkend, dan kan het besef dat een dergelijke houding ook weer zijn oorsprong
heeft in het verleden, betekenen dat er plotseling een ingang tot een
goed verlopende therapie ontstaat.
Reïncarnatietherapie achten we verder minder geschikt
voor psychotische en zeer labiele mensen. Deze vorm van therapie vraagt
om een relatief gezien rationele geest, hoe irrationeel het verleden ook
kan nawerken in het heden.
Taal is een belangrijk instrument van een reïncarnatietherapeut,
hetgeen betekent dat ook mensen met ernstige gehoorstoornissen vaak moeilijk
met deze therapievorm uit de voeten kunnen.
Ook bepaalde verslavingen en/of gewoonten als het veelvuldig
gebruik van oppeppende drugs, overmatig koffiedrinken, te weinig nachtrust
nemen, het gebruik van emotionele en/of lichamelijke gevoelens onderdrukkende
medicijnen kunnen een succesvolle therapie (tijdelijk) in de weg staan.
Dergelijke middelen worden vrijwel altijd gebruikt om pijn te ontlopen,
specifieke pijn, maar vaker nog de pijn van het leven. Het behoort echter
tot de taken van de reïncarnatietherapeut cliënten juist met een dergelijke
pijn te confronteren opdat deze eindelijk kan verdwijnen. Om die reden
is het belangrijk dat cliënten die verslaafd zijn aan een bepaald middel
of een bepaalde gewoonte de bereidheid tonen zich een aantal dagen voorafgaand
aan een sessie te onthouden van de verslavende middelen en/of activiteiten.
Wanneer bij dit onthouden gevaar voor de gezondheid dreigt, dient dit
(tijdelijk) 'afkicken' onder begeleiding van een deskundige plaats te
vinden, bijvoorbeeld een arts.
Sommige reïncarnatietherapeuten zijn de mening toegedaan
dat leeftijd (te oud of te jong) ook een belangrijke contra-indicatie
kan zijn. De therapeutische praktijk heeft evenwel aangetoond dat kinderen
van vier tot twaalf jaar prima cliënten kunnen zijn. Wel vraagt het begeleiden
van jonge kinderen veel creativiteit van de therapeut.
Onze ervaringen met oudere cliënten zijn zeer verschillend.
Sommige senioren staan voldoende open voor nieuwe denkbeelden om de hypothesen
van reïncarnatietherapie te kunnen accepteren. Nogal wat ouderen hebben
echter vastomlijnde waarden en normen, die ze maar moeilijk op kunnen
geven, zelfs wanneer hun eigen onderbewuste hen iets anders vertelt. Is
het laatste het geval dan is een bevredigend therapeutisch resultaat twijfelachtig.
Tenslotte is in dit verband tevens van belang dat de
therapeut in het voorgesprek navraag doet naar ervaringen, waarin zware
shock, al dan niet in de vorm van volledig bewustzijnsverlies is opgetreden,
zoals bijvoorbeeld bij ongelukken en operaties (narcose).
Daar bij dit soort ervaringen het weggaan van pijn of
het voorkomen ervan aan de orde is, kunnen ze bij het opsporen van onverwerkte
ervaringen als afsluiters werken.
Voor alle genoemde contra-indicaties geldt echter wat
we reeds opgemerkt hebben: 'moeilijke cliënten' bestaan slechts bij de
gratie van de grenzen van de therapeut.
Grenzen van de therapie
Eerder stelden we reeds dat elke chronische ziekte,
probleem of kwaal geschikt is om met reïncarnatietherapie te behandelen
Daarbij willen we echter wel onmiddellijk aantekenen
dat bij ernstige lichamelijke kwalen, zeker als de cliënt reeds in een
terminale fase verkeert of wanneer zijn lichaam reeds langdurig ondermijnd
is, ook reïncarnatietherapie zijn beperkingen kent. De stof, ons fysieke
lichaam, reageert nu eenmaal met enige vertraging op nieuwe impulsen en
wanneer de degeneratie van het lichaam reeds ver gevorderd is, kan ook
de confrontatie met de bronnen van de ziekte en de uiteindelijke verwerking
ervan het degeneratieproces meestal niet meer tot staan brengen, laat
staan terugdraaien.
Omdat we overtuigd zijn van reïncarnatie, achten we
reïncarnatiepie desondanks toch zeer geschikt ter ondersteuning bij ernstige
en/of terminale ziekten. Het inzicht in het proces van ziek maken kan
mensen helpen in hun strijd met de ziekte, die vaak een strijd met de
dood is. En als er één therapie geschikt is om doodsangst te verminderen
of zelfs te laten verdwijnen, dan is het wel reïncarnatietherapie.
Duur en kosten van de therapie
Hoe lang de therapie duurt is geheel afhankelijk van
de aard van het probleem en de grenzen van de therapeut en/of cliënt.
In het algemeen kunnen we echter stellen dat de therapie gericht is op
snel resultaat boeken. Wanneer de cliënt echter meer wil bereiken dan
het uitsluitend laten verdwijnen van symptomen en op het neutraliseren
van thema's uit is moet hij er rekening mee houden dat de therapie wel
eens meer dan tien sessies kan duren.
De frequentie van de sessies bepalen de therapeut en
cliënt meestal samen, gewoonlijk één sessie per week of per veertien dagen.
Het verloop van de therapie kan er echter voor zorgen dat die frequentie
gewijzigd wordt, variërend van een dag tot meer dan een maand tussen twee
sessies. De sessies zelf duren bij de meeste therapeuten ongeveer twee
uur.
De Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten
(NVRT) adviseert haar leden het declareren van een minimumtarief. Het
actuele minimumtarief, tezamen met veel meer informatie over de vereniging
en haar leden, is terug te vinden op haar website: www.reincarnatietherapie.nl.

- Hans ten Dam: Een ring van licht, Amsterdam 1983 (twee delen),
in 1990 en 2002 herzien en als één deel uitgegeven onder de naam Ring
van Licht.
- Hans ten Dam: Catharsis en Integratie, Amsterdam 1997
- Thorwald Dethlefsen: Schicksal als Chance, München 1979
(Nederlandse uitgave: Esoterische Psychologie, Deventer 1980)
- Joe Fisher: The Case for Reincarnation, Toronto 1985
(Nederlandse uitgave: Reïncarnatie, Utrecht 1987)
- Reender Kranenborg, Hugo Verbrugh e.a.: Reïncarnatie, een veelzijdig
perspectief?, Kampen 1988
- Winafred Blake Lucas: Regression Therapy, Volumes I and II, Crest
Park 1993
- Ronald van der Maesen & Rob Bontenbal: Handboek Reïncarnatietherapie,
Leusden 2002
- Morris Netherton & Nancy Shiffrin: Past Lives Therapy, New
York 1978
(Nederlandse uitgave: De geschiedenis herhaalt zich. Genezen aan vorige
levens, Rotterdam 1980)
- Roger J. Woolger: Other Lives, Other Selves, New York 1987
(Nederlandse uitgave: Herinnering, Deventer 1991)
Over de auteur
Rob Bontenbal (12 maart 1945) studeerde politicologie
en planologie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Na het behalen
van zijn bul deed hij onderzoek aan dezelfde universiteit en werkte daarna
voor een ministerie.
Via Lydia Kimman kwam hij in contact met de filosofie van de reïncarnatie,
hetgeen hem is blijven fascineren. Na geslaagd te zijn voor de eerste
Opleiding Reïncarnatietherapie van Ten Dam (1984), organiseerde hij een
werkgroep voor nieuwe reïncarnatietherapeuten, waaruit zich later de officiële
Nederlandse Vereniging van Reïncarnatie Therapeuten (NVRT) ontwikkelde.
Tegelijkertijd begon hij met het uitgeven van een nieuwsbrief die uitgroeide
tot het vakblad Cyclus, waarvan hij tien jaar hoofdredacteur was. In 1986
richtte hij met drie collega's de School voor Reïncarnatietherapie Nederland
(SRN) op en ontwikkelde daar de holografische reïncarnatietherapie. Vanaf
1990 geeft hij samen met Tineke Noordegraaf les aan therapeuten in Duitsland,
Israël en de Verenigde Staten.
In 1997 begon hij samen met drie collega's in Amsterdam Soul Service,
de eerste groepspraktijk voor reïncarnatie therapie in Nederland. Het
ondersteunen van collega Ronald van der Maesen bij diens opleidingen in
Suriname leidde tot het samen schrijven van het Handboek Reïncarnatietherapie
dat in april 2002 verscheen. Hij is sinds 1994 erelid van de NVRT.
|