Dit artikel is overgenomen met toestemming van de auteur Patricia Wessels. Patricia: Vandaag heb ik twee petten op. Ik ben mezelf en ik ben journaliste. Ik ga voor het blad Jonas in regressie. Toen dit idee in de redactievergadering besproken werd, leek me dat geen probleem. Ik heb geen geheimen, dacht ik. Maar nu zit ik 'm te knijpen met zenuwen in mijn buik. Je weet nooit wat er uit een diep verstopt geheugen tevoorschijn komt, hoe confronterend dat is, wat voor een kwetsbaar hoopje er van mij overblijft. Ik neem me voor om eerlijk te zijn, ongeacht wat me overkomt. Weerstand Albert Toby vindt het moment aangebroken om liggend op een sofa "op reis" te gaan. Ineens overvalt mij grote weerstand Ik heb er geen zin om anderen, inclusief deze therapeut, een kijkje in mijn zielroerselen te geven. "Wat heb je te verliezen?" vraagt Toby als ik dat uitspreek. "Mijn onafhankelijke houding. Het imago dat ik het wel red, dat ik mij goed staande kan houden, dat het goed met me gaat." De laatste die mag weten hoe ik me werkelijk voel, is mijn moeder. 'Waar ben je bang voor?" Dat iets openbaar wordt wat tegen me gebruikt kan worden; iets wat stom is." "Zeg dat nog eens: "Stom." Ik herhaal. "Hoe oud ben je als je dat zo zegt?" "Negen." "Herinner je wat je op je negende 'stom' vind." Zwart gat. Ik kan geen enkele gebeurtenis uit het verleden relateren aan het jaar waarin ik negen was. Maar er dringt zich wel iets op wat ik een paar jaar later 'stom' vond: "Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend. Ik vond het onuitstaanbaar als ze knuffelden. Die man maakte inbreuk op ons gezin. Hij bezette wel de opengehouden plaats van mijn vader, maar hij moest niet denken dat hij die rol ooit voor mij zou kunnen vervullen. Hij heeft mijn grenzen overschreden door in ons huis te komen wonen en mijn moeder aan te raken. De laatste grens die ik heb, ben ik zelf, is mijn lichaam. Zelfs bij een verjaardagszoen blijf ik kil en afstandelijk. Hij mag niet voelen dat ik warmte uitstraal. Als mijn gevoelens stromen, sta ik open en ben ik bang dat hij zich aangemoedigd voelt. Goede energieën zijn immers aantrekkelijk?" "Zullen we eens kijken waar het je talent is geweest om je gevoelens te onderdrukken?" Eindelijk, de reis gaat beginnen; even afstand nemen van dit leven. Op verzoek concentreer ik me op het fysieke gevoel van het aangeschroefde harnas om mijn middenrif. "Ga door de poort heen waar je onderbewuste de eerste indruk toelaat," zegt Toby. In een flits krijg ik het beeld voor ogen van een geestelijke. Is dit het? Moet ik deze eerste gedachte, die zomaar in me opkomt, serieus nemen? "Ik zie een monnik," zeg ik wat onzeker. "Hoe ziet hij eruit? Heeft hij schoenen aan?" Doordat Toby gerichte vragen stelt, krijg ik het beeld van de monnik terug, en zie dat hij met blote voeten op een akkervol met kluiten aarde loopt. "Hoe is zijn houding?" "Hij loopt licht gebogen. Ik denk dat hij iets zoekt." "Wat denk je dat hij zoekt?" "Ik weet niet waar ik het vandaan haal, maar ik weet zeker dat hij naar goud zoekt." Het volgende moment zie ik hem bukken en raapt hij een gouden ketting op. Hij houdt hem omhoog om goed te bekijken, steekt hem bij zich en loopt dan door. hij verwijdert zich van het klooster dat achter hem ligt. "Waar ga je naar toe?" Ik zie niets anders dan dat hij langs de akker loopt. Het bevalt me dat de beelden zich niet laten afdwingen. De beelden die ik zie zijn vergelijkbaar met de beelden die bij jeugdherinneringen bovenkomen. Poorten Ga naar het moment waarop duidelijk wordt waar de monnik naartoe gaat." Onmiddellijk zie ik een burcht met twee gesloten Gothische poorten. De monnik rammelt aan een poort. Verdekt opgesteld achter de kantelen, kijkt een vrouw vanuit de hoogte naar de monnik. Als hij haar in de gaten krijgt en roept, gaat ze tergend langzaam naar beneden. Ze treuzelt met de sleutels, om het opendoen uit te stellen. "Waar kennen ze elkaar van?" vraagt Toby. Zoals je in een droom iets zeker kunt weten, zo weet ik opeens dat hij haar ooit in een Schots heuvellandschap gevonden heeft, en naar huis heeft gedragen. "Waarom is ze daar?" ""Ze is gewond, heeft iets met haar rechterknie en ligt in het gras." "Waar is ze voordat ze daar ligt?" "Ze rijdt op een paard. Rechtop, fier, sterk en gezond. Een mantel om haar schouders van kostbare, zware stof, afgezet met gouden borduursels. Zij is een heerseres, iemand met natuurlijk gezag, geboren in een adellijk geslacht. Ze kwam nog weinig moeilijkheden tegen in haar leven. Niemand heeft haar ooit gedwarsboomd in wat zij wil." De geest kan op vele niveaus opereren. Het ene moment ben ik in de Schotse heuvels, het volgende moment doe ik vast een vlugge poging de symbolische beelden te interpreteren. Ook vraag ik me af hoe de therapeut aankijkt tegen die journaliste met haar ogen dicht. De 'trance' waarin ik mij bevind, bestaat bij de gratie van mij eigen wilskracht om mijn aandacht blijvend te concentreren op de beelden. De heerseres is van haar paard gevallen. Het paard ging er in galop vandoor. Ze wil weg, maar kan niet meer opstaan, voelt een machteloze woede. Ze schreeuwt uit alle macht, maar wordt niet gehoord. Haar knie is ontwricht. Het bot van het scheenbeen steekt in een sterke punt door het vlees heen. "Wat gaat ze nu doen?" "Niet kijken. Ze richt zich op het landschap, concentreert zich op de einder om de aandacht van de pijn af te leiden." "Wat zou je zien als je toch kijkt?" "Het blanke bot, een open wond." "Wat gebeurt er dan?" "Misschien valt ze flauw." "Voel maar eens: ik kan niet weg en het bot steekt eruit. Wat houdt dat in?" "Dat ik hulpeloos ben." "En dan?" "Ik heb iemand nodig, maar er is niemand." De identificatie is langzamerhand sterker geworden. Ik spreek niet meer over de heerseres in de zij-vorm , maar in de ik-vorm. Interpretatie "Waar wil je niet aan denken?" Bij deze vraag voel ik mij voor het eerst gemanipuleerd. Er zit een interpretatie van Toby achter. Hij denkt vast dat ik doodsangst heb, maar dat voel ik niet. 'Daarom zeg ik: "Ik ga niet dood." Hij laat het me herhalen, waardoor het meer lading krijgt, klinkt als een ontkenning, een illusie die ik mijzelf voorhoud. "De pijn in het been is verschrikkelijk, maar ik stel mezelf gerust door te beseffen dat dit niet het einde is." "Wat doe je nog meer om jezelf gerust te stellen?" Ik bedenk dat dit niet het ergste is wat mij kan overkomen. Dat het wel weer goed zal komen." "Zolang je jezelf probeert te overtuigen dan...?" Toby praat harder nu, alsof hij mij ergens van wil overtuigen. "Dan red ik het wel." "Waar moet je vooral niet bij stilstaan?" "Bij pijn en botten die uitsteken." "Dus je moet niet kijken en niet voelen? Waar ben je met je gedachten als je naar de einder kijkt?" "Ver weg" (P.S. Let op de link naar het kind wiens vader ver weg woont, en dat naar alle vliegtuigen zwaait) "Wat levert dat op?" "Afstand van de pijn" "Zolang je ver weg gaat dan..."Kan ik het beheersen en overkomen." "Voel je wat je aan het doen bent?" Het komt me maar al te bekend voor. "Kijk nou eens naar dat pijnlijke been. Stap uit de illusie en ga in de pijn." Ik kijk. "Wat doe je?" "Half zittend scheur ik een reep van mijn jurk om de wond te deppen, te bedekken, te verbinden. Ik realiseer me dat het maar een noodoplossing is en kijk dan gewoon recht in de wond. Zodra ik dat doe glijdt er iets van me af Het is alsof ik de pijn accepteer en daardoor doet het minder pijn. Ik krijg de neiging achterover te gaan liggen, in een totale overgave."
|