Afbeelding 1Danny is negen jaar. Hij heeft een ‘tic’. Soms begint hij opeens zijn jas aan en uit te trekken, niet één maar wel tien keer. Waarom weet hij zelf ook niet, al zegt hij vaak een ‘vreemd’ gevoel van binnen te hebben. Met de schoolpoort is er ook iets geks aan de hand. Als hij er onderdoor is gelopen krijgt hij dikwijls de onbedwingbare neiging om weer terug te rennen.

‘Nog een keer en nog een keer’ lijkt zijn motto. Dat afwijkende gedrag begint steeds meer op te vallen en leidt tot bezorgdheid bij zijn ouders. De arts met wie ik sinds enige tijd samenwerk, verwijst Danny naar mij door.

Danny komt op een zaterdagmiddag, na het voetballen. Pa, die zelf ooit betaald voetbal heeft gespeeld, kan dan mooi meekomen. Juist zijn aanwezigheid zal na de sessie voor een onverwachte wending zorgen. Na het voorgesprek verlaten zijn ouders de kamer. “Ik moet terug”, “Nog een keer” en “vreemd” staan dik onderstreept in mijn aantekeningen. Danny blijkt een leuk joch te zijn, gevoelig en serieus. Hij durft best op de ‘grote mensen’-manier te werken, met zijn ogen dicht dus. Weldra voer ik hem terug naar het schoolplein. In eerste instantie levert dat niet de opening op waar ik naar op zoek ben. Even voel ik onzekerheid bij me opkomen. Het overkomt me niet elke dag dat er drie mensen met wellicht hooggespannen verwachtingen op de uitkomst van de sessie wachten. Nadat ik deze druk van me af heb gezet, besluit ik via een hypnotische inductie rechtstreeks aan Danny te vragen wat hij nodig heeft om van zijn tic af te komen. Spontaan zegt hij het eerste wat in hem opkomt: “Dan moet ik eerst goed doodgaan.” Zo’n opmerking klinkt een reïncarnatietherapeut natuurlijk als muziek in de oren. “Neem je vreemde gevoel maar mee, en ga vanzelf naar het moment dat je niet goed doodging.”

“Dan ben ik net een spookje”

Danny schiet rechtstreeks door naar een plaatsje bij de Frans-Spaanse grens. Hij is net naar de stierengevechten geweest en is ‘biertjes’ gaan drinken in de lokale herberg. Lichtelijk beneveld verlaat hij even later het lokaal. Op straat aangekomen breekt er rondom paniek uit: een woeste stier is uit de omheining los gebroken en stuift op de dorpelingen af. “Ik moet terug” (naar de herberg) schiet nog door hem heen, maar het is al te laat, de stier spiest hem op de horens. En daar blijft het niet bij. “Nog een keer en nog een keer”, wel twaalf keer steekt het woedende beest toe. Danny rolt heen en weer op de sofa. De oorzaak van zijn tic lijkt gevonden. Het traumatische, onverwerkte sterven is beladen met ‘nog een keer’- en ‘ik moet terug’-energie. Ik vraag mijn jonge remigrant contact te maken met het meest vreemde gevoel.

“Dan ben ik net een spookje”(!) Het is zo stil om me heen, en ik kan overal doorheen. Maar niemand ziet me…” zegt hij verdrietig. Even later vraag ik hem naar het moment te gaan dat het vreemde gevoel voorbij is:
“Dan ben ik in de lichaamswinkel!”
– “Wat ga je daar doen, in de lichaamswinkel?”
“Een nieuw lichaam uitzoeken.”
– “Een jongens- of een meisjeslichaam?”
“Een jongenslichaam.”

“Dat moet je niet meer doen hoor, stier!”

Als hij even later lekker in zijn hier-en-nu lichaam zit en zijn ogen heeft geopend, komen de kleurpotloden voor de dag. Opgetogen en uiterst geconcentreerd begint hij aan de eerste van een serie van drie tekeningen. Deze krijgt de titel “Ik moet terug” mee. Twee dingen springen eruit: de stier valt hem van achter aan, waardoor het verrassingselement nog groter is (om over de invloed van ‘de biertjes’ maar te zwijgen). Bovendien heeft de herberg niet zomaar een deur, maar een halfronde toegangspoort. Als ik hem erop wijs begrijpt hij meteen waar om hij altijd aandrang krijgt om naar de schoolpoort terug te rennen. Binnen de poort is het immers veilig? Op de tweede tekening (‘Nog een keer’) ligt hij met een van pijn verwrongen gezicht op de grond. Alle zere plekken zijn met kruisjes aangegeven. De derde tekening krijgt de suggestieve titel ‘Weer beter’ mee. De littekens zijn verdwenen en het mannetje lacht weer. Op de vraag of hij nog een boodschap voor de stier heeft, antwoordt hij: “Dat moet je niet meer doen hoor, stier!, want dan maak je mensen gewond”. ‘Niet meer doen’ lijkt me een mooie tegenhanger voor ‘nog een keer’. De boodschap komt in een tekstballonnetje op de tekening te staan. We spreken af dat hij de tekeningen thuis aan zijn muur hangt, tot zijn tic (of liever: zijn twaalf tikken) helemaal weg is (zijn).

Een echte held?

Het is tijd om zijn ouders binnen te laten komen. Ook Anneke Visser, die Danny heeft doorverwezen, is bij het nagesprek aanwezig. Danny vertelt zijn avontuur in geuren en kleuren. Zijn ouders lijken een beetje verbouwereerd. Reïncarnatie is een vrijwel nieuw begrip voor ze. Goh, zou dit een vorig leven zijn? En zou zijn tic door zo’n herbeleving kunnen verdwijnen? Danny’s vader is intussen steeds stiller geworden. Als ik hem aankijk neemt hij opeens het woord. “Ik moet jullie iets heel geks vertellen. Een jaar of vijftien geleden (nog voor het huwelijk) ben ik in Spanje naar een stierengevecht geweest. Toen ik na afloop door de dorpsstraat liep, brak er plotseling paniek uit. Een losgebroken stier stormde recht op een jongetje af. Ik heb hem voor de horens van de stier weggesleurd. Die gebeurtenis komt nu weer bij me boven. Ik heb het er nooit met mijn vrouw of kinderen over gehad.”

“In dat geval”, opper ik, “kan ik me heel goed voorstellen dat Danny juist u als vader heeft gekozen of gekregen. In zijn ogen moet u een echte held zijn”. Ik vertel iets meer over reïncarnatiepatronen, die er op wijzen dat kinderen vaak zelf hun ouders uitkiezen. Bijvoorbeeld om hun eigen thematiek uit te werken (“en als een sleutel in het sleutelgat passen”).

“Eén keer is genoeg!”

Al pratende breken er nieuwe inzichten door. “Nu begrijp ik op eens waarom hij steeds zijn jas uittrekt. Heb ik je verteld dat hij er dan mee gaat zwaaien? Net als een toreador die met een rooie lap zwaait!” Zijn moeder herinnert zich dat Danny eens in een woedeaanval een miniatuurstier (een souvenir) aan gruzelementen heeft geslagen. Dat voorval krijgt opeens betekenis (de moeder van Danny: “Oh, was dat een stier? Ik dacht dat het een geit was, of zo.”) Met nieuwe ogen bekijk ik Danny’s zwarte T-shirt. De afbeelding daarop zal ook wel geen toeval zijn: de kop van een brullende tijger. Alles bij elkaar genomen lijkt het heel aannemelijk dat Danny zijn tic nodig had om op zijn eigen manier een traumatische sterfervaring te doorleven. Het gefragmenteerde deel zoekt op onbewust niveau naar heelwording. Een thema dat schitterend wordt uitgewerkt in de film “The Jacobsladder” (1990) (Van dezelfde scriptschrijver als het kassucces “Ghost”! Haalt die man zijn inspiratie uit zijn eigen sessies!? Te huur bij de betere videotheek.)

De stukjes van de legpuzzel passen deze middag wonderwel in elkaar. Zou hij zijn tic na deze herbeleving nog langer nodig hebben? Op de vraag of er nog een vervolgafspraak nodig is, besluit ik de proef op de som te nemen. “Nog een keer?” vraag ik Danny. “Nee hoor, één keer is genoeg!” In één keer schiet hij in zijn jas. Hij heeft trek in een hamburger. Een betere renovatie kan ik me in zijn geval niet indenken.

Symptoomverschuiving

Hoewel dit een mooi moment is om het artikel te beëindigen, wil ik de lezer het vervolg niet onthouden. De stier blijkt nog een staartje te hebben. Een maand na de sessie bel ik zijn moeder volgens afspraak op en informeer hoe het met Danny gaat. Het goede nieuws is dat zijn tic vrijwel over is. Minder goed nieuws is dat hij sinds kort vaak ruziet met zijn broertje, en daarbij soms behoorlijk door het lint gaat. Symptoomverschuiving? Ik krijg het vermoeden -dat het wel eens met de vader/zoonrelatie te maken kan hebben (gezien hun gemeenschappelijke ervaring met een woeste stier). Vervult pa nog wel de heldenrol die Danny hem, al dan niet bewust, heeft toebedeeld? Is de tic misschien naar boven gekomen (gerestimuleerd) omdat hij zich thuis niet meer veilig en beschermd voelt? Misschien vraagt hij zo indirect om de aandacht die hij rechtstreeks niet (meer) krijgt. We spreken een vervolgsessie af. Ik vraag Danny’s vader om mee te komen, zodat we op twee niveaus kunnen werken. Zo vader, zo zoon.

Toreador

We zitten gedrieën rond de tafel. Het kinderleed wordt bloot gelegd. Zijn broertje scheldt hem wel eens uit, voor “Danny de Mennie” bijvoorbeeld. Dan wordt hij heel boos en vliegt hem aan. Als ik hem vraag op wie hij meer reden heeft om boos te zijn, op de stier of op zijn broertje, geeft hij toe eigenlijk boos te zijn op de stier. Maar die is sterk en gevaarlijk, daar krijgt hij het liever niet mee aan de stok. Besloten wordt om de stier onschadelijk te gaan maken. Danny pakt zijn kleurpotloden en tekent zichzelf als toreador. De stier stormt op zijn rode lap af, maar daarachter heeft hij, heel slim, een groot rotsblok geplaatst. De tweede tekening laat weinig aan de verbeelding over. De stier ligt op zijn rug en ziet sterretjes, want hij is met zijn kop tegen het verborgen rotsblok aan geknald. Ziezo, die is onschadelijk gemaakt. Onze stierenvechter voelt zich nu veilig genoeg om zijn kwelgeest eens precies te zeggen hoe hij over hem denkt. De scheldkanonnade lucht zichtbaar op. Dan verzamelt hij de resterende kwaadheid in zijn vuisten en retourneert het aan de stier.

Hij begrijpt nu dat schelden een manier kan zijn om je angst te overwinnen.

Dat voelt goed. Hij begrijpt nu dat schelden een manier kan zijn om je angst te overwinnen. Zou het zo kunnen zijn dat zijn broertje scheldt omdat hij bang is voor Danny’s kwaadheid? Tja, dat kan hij zich wel voorstellen. Als Danny nou zijn kwaadheid helemaal op de stier heeft afgereageerd, hoeft zijn broertje niet meer bang te zijn, en ook niet meer te schelden.
Hij spreekt met zijn vader af dat hij voortaan met zijn kwaadheid eerst naar hem toe stapt, zodat ze het met zijn drieën kunnen oplossen.

Zo vader, zo zoon

Danny gaat even de kamer uit, zodat ik zijn vader onder vier ogen kan spreken. Ik vraag hem of hij nog wel de held is die zijn zoon in hem hoopt te vinden. De tranen springen in zijn ogen. Door omstandigheden waar ik hier niet verder op in wil gaan, was hij zich de laatste tijd emotióneel van zijn gezin aan het los maken. Hij vindt dat het tijd wordt om zijn eigen problemen aan te pakken, en maakt meteen een afspraak voor een sessie. Volgens de laatste berichten is Danny van zijn klachten af.

Albert Toby

Cyclus, maart 1993
(Naar aanleiding van deze sessies was ik samen met Danny’s vader te gast bij “’Catherine’’ van Catherine Keyl, in een themaprogramma over reïncarnatie.)