Albert Toby spreekt in Jonas Magazine met Patricia

Dit artikel is overgenomen met toestemming van de auteur Patricia Wessels.
Het verscheen in oktober 1996 in maandblad Jonas onder de titel: ‘Huiswerk uit een vorig leven’.

Hoe weet u dat beelden die een cliënt in de therapie ziet werkelijk fragmenten zijn uit een vorig leven en niet bijvoorbeeld een vertaling van het heden in archetypische beelden of louter fantasie?

Fantasie is plooibaarder, daarbij kunnen beelden nog veranderen. Ik zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat je een ezel zag in plaats van een paard en dan zou je bij wijze van spreke het beeld van een ezel kunnen overnemen. Als het gaat om vorige levens, dan hebben mensen een grote stelligheid in de beelden die ze zien en corrigeren me onmiddellijk als ik iets verwar. Maar als je met fantasie kunt genezen, vind ik het ook prima. Ik wil niemand overtuigen van het bestaan van reïncarnatie. Mensen mogen op grond van de ervaringen die ze tijdens een sessie opdoen zelf hun conclusies trekken.

Ervaringen die bovenkomen zijn voor mij een realiteit

Tijdens sessies die ik zelf onderging, heb ik gemerkt dat het om ervaringen gaat die zo authentiek zijn, inclusief emoties en lichamelijke reacties, dat ze voor mij een realiteit zijn. De informatie die bovenkomt is relevant en sluit naadloos aan. Er zijn genoeg mensen geweest die bovengekomen informatie hebben nagetrokken en daarbij op verifiëerbare feiten zijn gestuit. De historische correctheid is voor de therapie echter onbelangrijk.

In het voorgesprek wordt aan de hand van dit leven al veel duidelijk.
Wat voegt de “reis’’ naar vorige levens eigenlijk toe?

Reïncarnatietherapie plaatst dit leven in een bredere context en groter verband. Daarmee krijgt dit leven veel meer diepgang. Je bent hier om je te ontwikkelen en ik geloof dat ieder mens kiest voor bepaalde leerervaringen. Als je over de grenzen van dit leven heen kunt kijken krijg je een beter overzicht en inzicht in de zin van de dingen. Ook vervelende ervaringen kunnen iets bijdragen aan je ontwikkeling, als je die in je leven integreert. Zo heeft Oprah Winfrey de zwarte bladzijde uit haar leven – haar incestervaringen – getransformeerd tot haar kracht: ze maakt taboes bespreekbaar. Een junk die afkickt kan een hele goede hulpverlener worden, omdat hij weet wat het is om in de stront te zitten. Dat is in feite alchemie: er zit goud in de stront. Tijdens de reis en het transformatieproces kun je het goud in jezelf wakker maken. De reis biedt ook de mogelijkheid om door geboorte- en sterfervaringen heen te gaan. Wie daarmee vertrouwd raakt, kan zich beter verbinden, maar ook makkelijker loslaten. Twee kwaliteiten die juist in deze tijd, waarin veranderingen zo snel gaan, van grote waarde zijn.

Reïncarnatietherapie is gericht op een snel resultaat.
Hoe duurzaam is dat effect als het niet in een lang en degelijk proces doorleefd wordt?

Sommige mensen denken dat de effectiviteit van een snelkookpan niet degelijk kan zijn. Ik denk dat er een grote behoefte bestaat om via directe ervaringen kennis op te doen. We moeten ons afvragen of we alleen kennis via boeken moeten opdoen, of via jarenlange meditaties om een glimp op te vangen van een andere werkelijkheid. Volgens mij hoeft het helemaal niet zo onbereikbaar te zijn. Er is bovendien zoveel te doen in deze tijd, dat het goed is dat we methodes hebben waarmee we versneld inzichten kunnen opdoen. Reïncarnatietherapie is een methode om snel tot de kern door te dringen. In een tijd waarin alles sneller gaat en problemen zich opstapelen en veel mensen van zichzelf vervreemden, denk ik dat reïncarnatietherapie op een doeltreffende bijdraagt aan verdieping op grond van eigen inzicht en ervaring.

Later is Patricia teruggekomen voor een regressie-therapie.

De sessie

Vandaag heb ik twee petten op. Ik ben mezelf en ik ben journaliste. Ik ga voor het blad Jonas in regressie. Toen dit idee in de redactievergadering besproken werd, leek me dat geen probleem. Ik heb geen geheimen, dacht ik. Maar nu zit ik ‘m te knijpen met zenuwen in mijn buik. Je weet nooit wat er uit een diep verstopt geheugen tevoorschijn komt, hoe confronterend dat is, wat voor een kwetsbaar hoopje er van mij overblijft. Ik neem me voor om eerlijk te zijn, ongeacht wat me overkomt.
“Hoe helderder je vraag, hoe duidelijker het antwoord”, heeft reïncarnatie-therapeut Albert Toby mij door de telefoon gezegd. En: “Je kunt je voorbereiden door je op jouw vraag te concentreren en te kijken welke gedachten er bij je opkomen”.
Op weg naar de therapeut stop ik even in het Vondelpark om me zittend op een bank te concentreren. “Waarom stromen mijn gevoelens niet?”, vraag ik. Ik zit op slot. Heb het gevoel dat er een stalen korset om mijn middenrif zit, dat mijn gevoelens beheerst en belet vrijelijk te stromen. Buiten mijn wil om houdt dit mechanisme liefde en verdriet binnen, gevoelens die wel degelijk als brandende vuurtjes aanwezig zijn. De gedachten die opkomen zijn vragen. Zelfbescherming? Faalangst? Laat ik maar liever niets zien uit angst afgewezen te worden? Heeft het te maken met het grote verdriet van mijn moeder in mijn kinderjaren? Snel doorfietsen, ik heb haast. Albert Toby zet op verzoek mangothee, en hij maakt een rustige en beheerste indruk. Hij neemt ruim de tijd voor het voorgesprek, waarin hij al een rode draad te pakken probeert te krijgen. En dan blijken er wel degelijk gebieden te zijn waarover ik niet wil schrijven. Feilloos koerst Albert Toby eropaf. Belangenverstrengeling tussen journalist en persoon. Schrijven is selecteren, troost ik mezelf, de selectie komt later wel.
Toby probeert eerst te achterhalen waarom het probleem voor mij van nut kan zijn geweest: “Herinner je je een moment waarop het beheersen van je gevoelens je goed van pas kwam?”

Schrijven is selecteren, troost ik mezelf, de selectie komt later wel.

Op Schiphol. Als mijn moeder weer eens huilde bij het uitzwaaien van mijn vader. Mijn ouders zijn gescheiden op mijn zesde. Mijn vader ging in Indonesië wonen, maar stond één keer per jaar onverwachts bij ons voor de deur. Omdat wij nooit wisten wanneer, dekten we de tafel met een extra bord, zodat hij altijd kon aanschuiven aan de avondmaaltijd. En voor de zekerheid zwaaiden we naar alle vliegtuigen, omdat hij daarin misschien zou arriveren. Mijn moeder hield voor ons en voor zichzelf het vaderbeeld intact. Wij ontvingen hem met open armen. Hij was de grote held die een maand per jaar zijn rol met glorie vervulde in het illusoire gezinnetje. Op het vliegveld probeerde ik mijn moeder te troosten. Want als mijn moeder het niet meer wist, dan moest ik mijn positieven maar bij elkaar houden. Zo vaak al had ik in gedachten het plan doorgenomen hoe ik mijn broertje zou opvoeden als mijn moeder haar verdriet niet meer zou kunnen dragen. “Mama, je moet niet huilen omdat papa er niet meer is, je moet blij zijn omdat hij er wàs. Zullen we een feestje geven om te vieren dat we het zo leuk met hem hebben gehad?” Het werd een feestje in de tuin, met Roosvicee en rozijnen. En de kinderen uit de buurt waren welkom en speelden op het klimrek dat mijn vader had gebouwd.
“Wat herinner je je nog meer? “Dat ik, als ik uit school kwam, mijn moeder vaak in bed aantrof waar ze huilde of sliep, om haar verdriet niet te voelen. Als ik de straat inliep hoopte ik altijd dat ze thuis volop aan het werk zou zijn. Als ik haar niet in de woonkeuken aantrof ging ik met zware benen naar boven: “Mama wakker worden. Zullen we iets leuks gaan doen?” Kloterige tranen branden in mijn ogen nu ik me realiseer hoe dat kleine meisje het leven uit alle macht van zijn domper probeerde te ontdoen. Ik probeer het weg te lachen. “Waarom lach je?” “Omdat ik niet wil huilen.” “Want als je lacht dan…?” “Dan houd ik mezelf in de hand” “Want als je lacht dan…?” “Creëer ik afstand.” “En als je afstand creëert dan…” “Voel ik de pijn niet.” Dat is dus het mechanisme: het tegendeel bewerkstelligen, om de balans te herstellen. Ook als ik me tot iemand aangetrokken voel, word ik afstandelijk. –

Weerstand

Albert Toby vindt het moment aangebroken om liggend op een sofa “op reis” te gaan. Ineens overvalt mij grote weerstand Ik heb er geen zin om anderen, inclusief deze therapeut, een kijkje in mijn zielroerselen te geven. “Wat heb je te verliezen?” vraagt Toby als ik dat uitspreek. “Mijn onafhankelijke houding. Het imago dat ik het wel red, dat ik mij goed staande kan houden, dat het goed met me gaat.” De laatste die mag weten hoe ik me werkelijk voel, is mijn moeder. ‘Waar ben je bang voor?” Dat iets openbaar wordt wat tegen me gebruikt kan worden; iets wat stom is.” “Zeg dat nog eens: “Stom.” Ik herhaal. “Hoe oud ben je als je dat zo zegt?” “Negen.” “Herinner je wat je op je negende ‘stom’ vind.” Zwart gat. Ik kan geen enkele gebeurtenis uit het verleden relateren aan het jaar waarin ik negen was. Maar er dringt zich wel iets op wat ik een paar jaar later ‘stom’ vond: “Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend. Ik vond het onuitstaanbaar als ze knuffelden. Die man maakte inbreuk op ons gezin. Hij bezette wel de opengehouden plaats van mijn vader, maar hij moest niet denken dat hij die rol ooit voor mij zou kunnen vervullen. Hij heeft mijn grenzen overschreden door in ons huis te komen wonen en mijn moeder aan te raken. De laatste grens die ik heb, ben ik zelf, is mijn lichaam. Zelfs bij een verjaardagszoen blijf ik kil en afstandelijk. Hij mag niet voelen dat ik warmte uitstraal. Als mijn gevoelens stromen, sta ik open en ben ik bang dat hij zich aangemoedigd voelt.

“Wat denk je dat hij zoekt?”

Goede energieën zijn immers aantrekkelijk?” “Zullen we eens kijken waar het je talent is geweest om je gevoelens te onderdrukken?” Eindelijk, de reis gaat beginnen; even afstand nemen van dit leven. Op verzoek concentreer ik me op het fysieke gevoel van het aangeschroefde harnas om mijn middenrif. “Ga door de poort heen waar je onderbewuste de eerste indruk toelaat,” zegt Toby. In een flits krijg ik het beeld voor ogen van een geestelijke. Is dit het? Moet ik deze eerste gedachte, die zomaar in me opkomt, serieus nemen? “Ik zie een monnik,” zeg ik wat onzeker. “Hoe ziet hij eruit? Heeft hij schoenen aan?” Doordat Toby gerichte vragen stelt, krijg ik het beeld van de monnik terug, en zie dat hij met blote voeten op een akker vol met kluiten aarde loopt. “Hoe is zijn houding?” “Hij loopt licht gebogen. Ik denk dat hij iets zoekt.” “Wat denk je dat hij zoekt?” “Ik weet niet waar ik het vandaan haal, maar ik weet zeker dat hij naar goud zoekt.” Het volgende moment zie ik hem bukken en raapt hij een gouden ketting op. Hij houdt hem omhoog om goed te bekijken, steekt hem bij zich en loopt dan door. hij verwijdert zich van het klooster dat achter hem ligt. “Waar ga je naar toe?” Ik zie niets anders dan dat hij langs de akker loopt. Het bevalt me dat de beelden zich niet laten afdwingen. De beelden die ik zie zijn vergelijkbaar met de beelden die bij jeugdherinneringen bovenkomen.

Poorten

Ga naar het moment waarop duidelijk wordt waar de monnik naartoe gaat.” Onmiddellijk zie ik een burcht met twee gesloten Gothische poorten. De monnik rammelt aan een poort. Verdekt opgesteld achter de kantelen, kijkt een vrouw vanuit de hoogte naar de monnik. Als hij haar in de gaten krijgt en roept, gaat ze tergend langzaam naar beneden. Ze treuzelt met de sleutels, om het opendoen uit te stellen. “Waar kennen ze elkaar van?” vraagt Toby. Zoals je in een droom iets zeker kunt weten, zo weet ik opeens dat hij haar ooit in een Schots heuvellandschap gevonden heeft, en naar huis heeft gedragen. “Waarom is ze daar?” “”Ze is gewond, heeft iets met haar rechterknie en ligt in het gras.” “Waar is ze voordat ze daar ligt?” “Ze rijdt op een paard. Rechtop, fier, sterk en gezond. Een mantel om haar schouders van kostbare, zware stof, afgezet met gouden borduursels. Zij is een heerseres, iemand met natuurlijk gezag, geboren in een adellijk geslacht. Ze kwam nog weinig moeilijkheden tegen in haar leven. Niemand heeft haar ooit gedwarsboomd in wat zij wil.”

Rechtop, fier, sterk en gezond.

De geest kan op vele niveaus opereren. Het ene moment ben ik in de Schotse heuvels, het volgende moment doe ik vast een vlugge poging de symbolische beelden te interpreteren. Ook vraag ik me af hoe de therapeut aankijkt tegen die journaliste met haar ogen dicht. De ‘trance’ waarin ik mij bevind, bestaat bij de gratie van mij eigen wilskracht om mijn aandacht blijvend te concentreren op de beelden. De heerseres is van haar paard gevallen. Het paard ging er in galop vandoor. Ze wil weg, maar kan niet meer opstaan, voelt een machteloze woede. Ze schreeuwt uit alle macht, maar wordt niet gehoord. Haar knie is ontwricht. Het bot van het scheenbeen steekt in een sterke punt door het vlees heen. “Wat gaat ze nu doen?” “Niet kijken. Ze richt zich op het landschap, concentreert zich op de einder om de aandacht van de pijn af te leiden.” “Wat zou je zien als je toch kijkt?” “Het blanke bot, een open wond.” “Wat gebeurt er dan?” “Misschien valt ze flauw.” “Voel maar eens: ik kan niet weg en het bot steekt eruit. Wat houdt dat in?” “Dat ik hulpeloos ben.” “En dan?” “Ik heb iemand nodig, maar er is niemand.” De identificatie is langzamerhand sterker geworden. Ik spreek niet meer over de heerseres in de zij-vorm , maar in de ik-vorm.

Interpretatie

“Waar wil je niet aan denken?” Bij deze vraag voel ik mij voor het eerst gemanipuleerd. Er zit een interpretatie van Toby achter. Hij denkt vast dat ik doodsangst heb, maar dat voel ik niet. ‘Daarom zeg ik: “Ik ga niet dood.” Hij laat het me herhalen, waardoor het meer lading krijgt, klinkt als een ontkenning, een illusie die ik mijzelf voorhoud. “De pijn in het been is verschrikkelijk, maar ik stel mezelf gerust door te beseffen dat dit niet het einde is.” “Wat doe je nog meer om jezelf gerust te stellen?” Ik bedenk dat dit niet het ergste is wat mij kan overkomen. Dat het wel weer goed zal komen.” “Zolang je jezelf probeert te overtuigen dan…?” Toby praat harder nu, alsof hij mij ergens van wil overtuigen. “Dan red ik het wel.” “Waar moet je vooral niet bij stilstaan?” “Bij pijn en botten die uitsteken.” “Dus je moet niet kijken en niet voelen? Waar ben je met je gedachten als je naar de einder kijkt?” “Ver weg” (P.S. Let op de link naar het kind wiens vader ver weg woont, en dat naar alle vliegtuigen zwaait) “Wat levert dat op?” “Afstand van de pijn” “Zolang je ver weg gaat dan…”Kan ik het beheersen en overkomen.” “Voel je wat je aan het doen bent?” Het komt me maar al te bekend voor. “Kijk nou eens naar dat pijnlijke been. Stap uit de illusie en ga in de pijn.” Ik kijk. “Wat doe je?” “Half zittend scheur ik een reep van mijn jurk om de wond te deppen, te bedekken, te verbinden. Ik realiseer me dat het maar een noodoplossing is en kijk dan gewoon recht in de wond. Zodra ik dat doe glijdt er iets van me af Het is alsof ik de pijn accepteer en daardoor doet het minder pijn. Ik krijg de neiging achterover te gaan liggen, in een totale overgave.”